Vreemdelingen

 “Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen”.

1 Petrus 1:1a

In deze tekst leest u van vreemdelingen. Wie zijn dat? Men denkt hier verschillend over. In het tweede deel van kanttekening 2, die wij graag volgen, lezen we: “Daarom is het gevoelen dergenen gelofelijker die hiertoe verstaan de Joden die in die landen van Azië lang tevoren verstrooid geweest waren, door de wegvoering der Assyriërs en door de vervolging onder Antiochius tevoren geschied”. Velen van deze mensen waren op de Pinksterdag te Jeruzalem gekomen. Door de prediking van Petrus en de andere apostelen waren ze door God tot God bekeerd en gebracht tot het ware geloof in Christus Jezus, zoals we lezen in Handelingen 2:27-42. Daarna zijn deze mensen weer naar huis gegaan. Daar hebben ze het geloof verbreid, hoewel niet zonder grote zwarigheid van andere hardnekkige Joden. Tot deze vreemdelingen zegt Petrus nu in het derde vers van dit hoofdstuk: “Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden”. Van deze wedergeboorte zeggen onze schone kanttekeningen (13) duidelijk: “Dat is, door Zijn Geest vernieuwd, of van de verdorvenheid van onze eerste geboorte en van de heerschappij der inwonende zonde verlost”. Als de Heilige Geest een adamskind, verdorven door zijn eerste geboorte, verkerend onder de heerschappij voerende macht van de zonde en een vreemdeling van God en van de verbonden der beloften, door het Woord daarvan verlost, wordt hij een ware vreemdeling! Zo bedoelt onze tekst het. Lezer bent u, ben jij ook zo’n vreemdeling? De taal en de bede van Psalm 119 is ons dan niet vreemd. Daar zingt de dichter (ongeveer) deze woorden: Ik ben o Heere een vreemdeling hier beneden, op de aarde, laat Uw geboden op mijn levensreis door de woestijn van dit leven, mij niet ontbreken.

Petrus schrijft nu aan al die mensen, die vreemdelingen, in de verstrooiing, dat de God en Vader van onze Heere Jezus Christus door Zijn grote barmhartigheid hen uit de diepe doodstaat, de verdorvenheid, het walgelijke bestaan van binnen en uit de macht van satan verlost heeft. Er staat: “Ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden”. Deze woorden leggen uit, dat voor ons allen in de eerste plaats het wonder van de wedergeboorte nodig is. In de tweede plaats is er geen rust buiten de levende hoop in Christus. We weten allemaal, dat het in het leven der genade niet met de kennis van Christus, maar met een wonder, begint. Tegelijk zal Gods werk altijd daarin gekend worden, dat de Heere iets schenkt van die levende hoop in het hart. De tekst leert ons dat deze twee dingen onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Wanneer een mens het buiten dit wonder der wedergeboorte over Jezus heeft, dan is het tekort. Kan een mens echter jarenlang leven uit zijn wedergeboorte, uit zijn tranen over de zonde, uit een gemis naar de Heere, dan moeten we het ook nazien. Onlosmakelijk hoort het wonder van de wedergeboorte bij de levende hoop in Christus. De Heilige Geest maakt daarvoor plaats in de weg van sterven en verliezen. Lezers, hebt u bevindelijk van deze twee dingen wetenschap? Kent u het opzoekende genadewonder? Maar eveneens: bent u in, een weg van afbraak, ontdekt aan uw ongerechtigheid en afgebracht van uw eigengerechtigheid, heengewezen naar de gerechtigheid van Christus, Die een levende hoop buiten u, in uw hart geboren deed worden? Hoe dat kan? Wel, door de opstandingskracht van Jezus Christus uit de doden. En door de Geest van Christus die nog voortgaat om het loon op Christus’ arbeid te vergaderen. Om vreemdelingen van God en hun hart te verlossen uit de verdorvenheid van hun eerste geboorte en om ze te trekken uit de heerschappij van de inwonende zonde. Ja, geleidt door Gods Geest, zullen die getrokken vreemdelingen mogen komen tot de kennis van Christus, Die onze Hoop is. Zeker die vreemdelingen blijven dat bedorven bestaan, en de strijd daarover, tot de laatste snik toe behouden. Niet van de knellende macht, maar alleen van de heerschappij voerende kracht van de zonde is Gods kind verlost. Ook over die ontzaglijke strijd tussen de oude en de nieuwe mens wordt hier gesproken. Leest u alleen al maar wat er staat in het laatste van kanttekening 2, waar staat: “Hoewel niet zonder grote zwarigheid”. Petrus wijst er echter ook op, vers 4, dat door Christus kracht deze vreemdelingen, wedergeboren tot een levende hoop, straks na de strijd en de grote verdrukking ontvangen, de onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis! Dat is de toekomstverwachting van die vreemdelingen! Zij zijn hier niet thuis en wachten op de erfenis, die voor hen is weggelegd, in de hemel. Dan is het vreemdelingschap vergeten en mag de Kerk voor eeuwig Thuis komen. Zijn wij al zulke vreemdelingen? En Kerk, verlangen we nog weleens naar die Thuiskomst

Ds. A. Verschuure