Ik ben een Roos van Saron

Ik ben een Roos van Saron 

Hooglied 2:1

Velen hebben in de afgelopen tijd iets van de natuur mogen zien. Wellicht stonden sommigen in de late avond aan de zee. Schoon als gezien mag worden hoe de zon bij heldere hemel ondergaat. Anderen zagen dat de tarweoogst werd binnengehaald. Anderen onder de indruk van de bossen met het daarbij behorende wild gedierte enz. Maar de woorden van onze overdenking brengen ons in een gebied langs de Middellandse zee in Israël. Een streek waar wellicht velen van de lezers nooit ziin geweest: de vlakte van Saron. Gelegen tussen de kustplaatsen Caesarea en Joppe. De vlakte van Saron, een toonbeeld van aardse heerlijkheid. Waarom, omdat op deze vlakte een bijzondere schone bloem gevonden werd. En wel de roos van Saron. Volgens de verklaarders was deze roos rood en wit van kleur en kwam er bij het kweken geen mensenwerk aan te pas. Nu zegt Christus van Zichzelf: Ik ben een Roos van Saron, omdat deze roos in de natuur trekken vertoont die bij Christus passen. Immers, Hij is niet door een mens voortgebracht. Hij is ook niet door een mens geplant. Geen mensenwerk kwam daarbij te pas. Immers, Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid God. Hij is van gelijke heerlijkheid en eer als de Vader en de Heilige Geest. Op de heilige vraag in de Vrederaad: Wie zal met Zijn hart Borg worden om tot Mij te genaken, trad Gods Zoon naar voren en zei: ‘Zie Ik kom o God om Uw welbehagen te doen’. Daarom is Hij als een Roos van Saron, geplant in de volheid des tijds, geboren uit de maagd Maria. Niet ontvangen door ’s mensen toedoen, maar ontvangen van de Heilige Geest. O wonder geheim van Sarons Roos: Deze verborgenheid der Godzaligheid is groot, God geopenbaard in het vlees. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Hij is gekomen zonder zonde, opdat Hij zal groeien om te voldoen aan de eis des Heeren: Betalen wat Zijn volk schuldig is! Dat Hij zou voldoen, door lijden en sterven, aan de deugden Gods. Maar wat meer, waar vele rozen op aarde verwelken, is Hij vanuit de dood opgekomen en leeft altoos!  Want Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is. Waar alles vergaat, verwelkt door de zonde, is Hij de Levende Roos van Saron. Hij leeft in de velden der eeuwige heerlijkheid als een bewijs dat te midden van alles wat voorbij gaat, in Hem het Leven is en blijft tot in de eeuwigheid. Wat een geheim, voor hen die zich zien verwelken onder de gloed van Gods gramschap. Wat een geheim voor hen die zich alle gronden en levenstekens buiten Hem zien ontvallen. Wat een geheim voor hen die verdiend hebben dat de zeis van Gods recht hen wegvaagt van de aardbodem. O dodelijk tijdsgewricht: verloren! Eenmaal zo heerlijk mogen pronken met het beeld Gods in geest en waarheid. Maar nu midden in de dood. Maar wonder als Hij verschijnt en Zichzelf wegschenkt: Ik ben een Roos van Saron. De altijd Levende Roos! Ik leef tot in der eeuwigheid en met welke kleuren ? Wij weten dat de roos van Saron een rode en witte kleur draagt. Wat een wonder als die Roos van Saron gezien wordt door middel van Gods Geest en in dat dodelijke ogenblik waarin alles van u is vergaan en u niet meer kon bestaan voor Hem die gerechtigheid eist. Want die roos is rood en wit van kleur. Hij is blank en rood. Hij is volkomen heilig en bezit volkomen gerechtigheid. Hij heeft met de dierbare sappen van Zijn hartenbloed die kleuren willen voortbrengen. Zijn de kleuren u al eens geopenbaard te midden van uw armoede en oordeel en schuld? Zijn de kleuren van Zijn Middelaarswerk u al dierbaar, maar ook noodzakelijk geworden? Wat een vreugde als voor hen die afgesneden worden van hun werken en leven door de zeis van Gods recht, dat deze Roos van Saron in Zijn kleuren verschijnt en hen komt te overschaduwen. Zijn gerechtigheid, Zijn heiligheid, niet alleen verworven voor anderen maar ook voor mij. Overgeleverd om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Wat een onuitsprekelijke en liefelijke Roos van Saron. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk, zulk Eén is nu mijn liefste. Het wonder van Gods welbehagen: deze Roos is niet door ’s mensen handen voortgebracht maar Hij is door God gegeven. Die Roos gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en een volkomen verlossing. Volk des Heeren, deze Roos overtreft alle aardse schoonheid en bloeit zelfs al in de nacht! Nu nog iets: Deze roos van Saron verspreidt tijdens de bloei een liefelijke geur. Verklaarders zeggen dat die geur al van verre geroken kan worden. Men kan de roos al ruiken al ziet men de bloem nog niet. Wonderlijk, vindt u niet? Hoe dichter bij de roos, hoe sterker de geur. Begrijpt u? Wie leren de liefelijke geur van deze Roos ruiken en onderscheiden? Zij die kennis gekregen hebben van hun bestaan aan deze Roos te midden van de doornen en distelen. Al is het vanuit de verte! Zomaar enkele vragen. Is deze Roos van Saron u door recht aangewezen ? Is deze Roos van Saron in uw leven al geopenbaard? Is deze Roos van Saron al in uw leven weggeschonken? Wat is voor u de liefdesgeur waar het in uw leven om gaat? Volk des Heeren hoe dichter een leven bij deze Roos van Saron, hoe meer u walgen zal van uzelf.

Daar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd.
’t Is als de zalf op hogepriesters hoofd,
de zalf waarmee hij is aan God gewijd,
die door haar reuk het hart verblijdt.

Jongens, meisjes en ouderen, er is niets op aarde wat de heerlijkheid van deze Roos van Saron kan overtreffen. Gods volk mag het wel eens ervaren en zoekt u dat leven toch, want het is nog te verkrijgen bij God vandaan.

Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, op aarde nevens U toch lusten?

Ds. G. Pater