Biddag

“Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.”

Psalm 123:1

In deze weken wordt de jaarlijkse biddag weer gehouden. We smeken de Heere of Hij het komende seizoen Zijn zegen wil geven. Die zegen moet van boven komen. In deze psalm lezen we van een dichter die omhoog mag zien. Een wonder als we zo’n afhankelijke bidder mogen zijn. Psalm 123 is een lied Hammaäloth. De Psalmen 120 tot en met 134 dragen alle vijftien dit opschrift. Deze liederen werden gezongen door de pelgrims op weg naar Jeruzalem. Hun weg ging door de diepte naar de hoogte van de tempelberg Sion. Het is een beeld van het pad dat al Gods kinderen door dit leven moeten gaan. Door het vijandige Mesech leidt de Heere hen naar het hemelse Jeruzalem. De grote vraag is of wij door Gods genade zo’n pelgrim geworden zijn, op reis naar de hemelstad. Dat gebeurt als de Heere in ons leven komt. Dan leren we diepten en hoogten kennen. Op de biddag moeten we eerst en vooral smeken om de bekering van ons hart. De Heere wil het ook nu nog werken. “Ik hef mijn ogen op tot U.” De dichter slaat zijn ogen naar boven, naar de Heere. Dat doet hij niet vanuit zichzelf. Van nature kijken we alleen naar beneden of om ons heen. We laten onze ogen vliegen op hetgeen dat niets is (Spreuken 23:5). Door onze zondeval in het Paradijs zijn we het zicht naar boven kwijtgeraakt. We leven alsof er geen God is. Als God ons hart vernieuwt, gaat een mens naar boven zien. Ons hart wordt dan gericht op de Heere en gaat uit naar Hem. Dat opzien naar boven wil zeggen dat de dichter smeekt om Gods genade. Tot drie keer toe lezen we in deze korte psalm over het uitzien naar genade. Het is bij de dichter eigenlijk hetzelfde als bij de tollenaar achter in de tempel. Hoewel die tollenaar zijn ogen niet op durfde te heffen naar de hemel, waren zijn zielsogen wél naar boven gericht. In de smart van zijn ziel riep hij uit: “O God, wees mij zondaar genadig.” (Lukas 18:13) Is deze smeekbede ook ons biddaggebed? We zullen het immers van genade moeten hebben, voor het eerst en opnieuw. In dit opzien ligt ook een verlangen naar Gods hulp. We horen in deze psalm de diepe klacht over vijandschap, verachting en spot. Deze zaken zijn niet vreemd in het leven van Gods pelgrims. In de wereld zullen ze verdrukking hebben. Maar God helpt Zijn volk. Toen koning Josafat van Juda omringd werd door vijanden, mocht hij opzien naar boven en biddag houden: “Want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte die tegen ons komt, en wij weten niet wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.” (2 Kronieken 20:12) Gelukkig als zo de verwachting van de Heere mag zijn, ook voor het komende seizoen. “Tot U, Die in de hemelen zit”. Bij alles wat neerdrukt en bezwaart, worden de ogen van de dichter hoger geheven dan de bergen. Ze richten zich op de Heere, “Die in de hemelen zit”. Dat is een rijke toevoeging. De Heere zit in de hemelen en is boven alle dingen verheven. God heerst vanuit de hemel als Koning en heeft het oppergezag. Terwijl alles hier op aarde in beweging is, zit Hij daar op Zijn troon. Wat een rust gaat daarvan uit: God regeert en blijft regeren. De zaken lopen Hem nooit uit de hand, door welke diepten het voor Zijn kinderen ook gaat. “Ook dan wanneer er generlei hoop meer is op de aarde en wanneer hun toestand zo hopeloos is geworden, dat zij als begraven of wel als in een doolhof verdwaald schijnen te zijn”. (Calvijn) Misschien is er op dit moment wel sprake van zo’n doolhof in uw levensomstandigheden. Hoe kom ik er ooit uit? Misschien ervaren we een doolhof als we zien op het roerige wereldgebeuren en de zorgelijke ontwikkelingen in ons land. Hoe moet het verder? Psalm 123 wijst de weg naar boven, naar God, Die in de hemelen zit. Smeek Hem allereerst om Zijn genade, maar ook om Zijn hulp. Zo alleen kunnen we de toekomst ingaan. Geen dal is zo diep, of er is altijd nog wel iets van de wolkenhemel boven ons zichtbaar. Daarvoor moeten we wel omhoog zien. Een wonder als de Heere dit geeft in onmogelijke wegen. Dan mag de moeite en het verdriet bij tijden in de hand van die grote alziende God gegeven worden. Hoe kan een pelgrim op reis naar Sion opzien naar boven? Hoe kan hij Gods genade en hulp ontvangen? Het geheim ligt in de Heere Jezus Christus, Gods Zoon. Hij ging door het dal van deze wereld, van kribbe naar kruis. In deze lijdensweken overdenken we Zijn lijdensgang. Hij hing onder een gesloten hemel op Golgotha, toen Hij zelfs door Zijn Vader werd verlaten. In die schrikkelijke duisternis heeft Hij het uitgeroepen: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Zo heeft Hij genade verdiend voor rechteloze bidders. En zo kan Hij degenen die in het meest uitzichtloze doolhof verzocht worden te hulp komen. Deze Voorspreker in de hemelen leeft altijd om voor Zijn volk te bidden. Hun gebeden worden door het reukwerk van Christus’ verdienste verzoend en gezuiverd. Door Hem wordt het waar:

Hij zag van Sion neer,
De woonplaats van Zijn eer,
En hoorde mijn gebeden.
                                       (Psalm3:2).

Ds. S. Maljaars