Christus uitermate verhoogd

“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven alle naam is. Opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders”.

Filippenzen 2:9-11

Lezers, de tweede knecht die Capelle van de Heere ontving was ds. G. J. van den Noort. Hij diende de gemeente van 1965-1971. Van hem zijn er wel diverse nagelaten preken, maar er zijn niet zoveel meditaties van hem meer beschikbaar. Hier volgt nu één van die weinige meditaties die ik vinden kon van wijlen ds. G.J. van den Noort. Zo mag hij nog spreken onder ons, nadat hij gestorven is.

Deze woorden heeft de apostel Paulus gericht aan de gemeente van Filippi die hem bijzonder lief was, wegens de genadewonderen die de Heere er verheerlijkt had. In de kleine brief stort hij de volle teerheid van zijn hart uit, waaruit wel duidelijk zijn bijzondere liefde tot haar blijkt. Dat wil echter niet zeggen, dat hij geen oog gehad heeft voor de gebreken en zonden, die ook deze gemeente aankleefden; Paulus wist zeer wel, dat de gelovigen in Filippi niet uitblonken in ootmoed, ja, er veelszins in tekort schoten. Menigeen toch zocht veel meer zichzelf dan dat hij zag op hetgeen des anderen was. Er waren kennelijk veel hoge ogen, waardoor de eensgezindheid onder elkander veel te wensen overliet. Die zonde nu heeft Paulus moeten bestraffen in de geest der zachtmoedigheid, met het doel dat de een de ander uitnemender zou achten dan zichzelf.

Hij wijst hen daartoe op het gevoelen, dat ook in Christus Jezus was. Die Zichzelf prijsgaf om anderen te behouden. Ja, Zichzelf voor Zijn volk vernietigd heeft, doch in die weg ook uitermate verhoogd is. Daarom, omdat Hij tot de dood des kruises gehoorzaam geweest is, omdat Hij tot de diepte van de kruisdood is willen afdalen, daarom heeft Hij het loon der verhoging van Zijn Vader ontvangen; door de diepte van Zijn lijden moest Hij tot Zijn heerlijkheid ingaan. Dat lijden heeft Christus reeds aanvaard in de stille Raad des Vredes, tot voldoening aan het Recht des Vaders en tot verlossing van Zijn uitverkorenen. Het Goddelijke recht eiste Zijn dood, ja, de dood des kruises, die van God vervloekt was, om alzo als een vloek voor vloekwaardigen te sterven. Daarom nu heeft God Hem uitermate verhoogd. Nee, Christus heeft Zichzelf niet verhoogd, maar als Middelaar is Hij verhoogd geworden. Het recht dat Zijn dood eiste, eiste ook Zijn verhoging door de gegeven voldoening. Daarom kón Christus van de dood niet gehouden worden, omdat Hij degene die het geweld des doods had teniet gedaan, dat is de duivel. Als de Zoon Gods behoefde Hij die verhoging niet, wel als de Middelaar Gods en der mensen. Zijn verhoging was dan ook ter nutte van Zijn Kerk, voor wie Hij de dood inging, maar ook uit de dood opstond, n.l. tot hun rechtvaardigmaking, heiligmaking en heerlijkmaking. Dierbare waarheid, lezer, dat God Christus verhoogd heeft en in Hem al de Zijnen, waarom zij ook met Hem zullen verhoogd en verheerlijkt worden. Wat moest dit Gods volk toch in de laagte en in de vernedering brengen, ziende op Christus die Zichzelf vernederd heeft en door God verhoogd is. De weg van de Borg is immers de weg van de Kerk. Evenals Christus wordt ook de Kerk van Christus geleid door lijden tot heerlijkheid, door de duisternis tot het licht, door de dood tot het leven, ja, door de hel naar de hemel. Gods volk wordt één plant met Christus gemaakt in de gelijkmaking van Zijn dood en opstanding. De grote vraag is, lezer, of Hij voor u en mij verhoogd is. Wat baat u de opstanding van Christus? Van de gelovigen in Filippi kon dat gezegd worden; zij waren geheiligd in Christus; de Heere was een goed werk in hen begonnen; zij waren de genade van Paulus mede deelachtig (Fp. 1:7). Kan dat ook van u worden gezegd, lezer? Zijt ge met Christus opgewekt tot een nieuw leven met Christus, verborgen in God? Zalig zijt ge, zo de Heere dat goede werk Zijner genade in u begonnen is, Hij zal het ook voleindigen tot op de dag van Jezus Christus, hoezeer de satan u mag bekampen en hoe diep de beproevingen ook gaan mogen. De Heere zal het voor u voleinden; Hij laat niet varen het werk Zijner handen. Maar waarin is Christus nu zo uitermate verhoogd? De tekst zegt, dat God Hem een Naam gegeven heeft, welke boven alle naam is. Dit ziet niet op een bepaalde persoonsnaam, die Christus na Zijn opstanding zou verkregen hebben, maar op de eer en glorie, die Hij van de Vader ontvangen heeft. Op aarde toch is Zijn heilige Naam veracht en verguisd. Heeft men Hem niet Beëlzebul, de overste der duivelen, genoemd? Heeft men Zijn Naam niet in spotschrift boven Zijn kruis gehecht: “Deze is Jezus, de Koning der Joden”. Dit alles wilde Hij dragen voor hen, die in Adams val hun naam kwijtgeraakt zijn, maar in Hem een nieuwe naam ontvangen, een witte keursteen, waarin die nieuwe naam geschreven staat en die niemand kent, dan die hem ontvangt. Christus ontving als Middelaar een Naam boven alle naam. Zijn eer en roem gaat alle roem te boven. De Vader eert de Zoon voor de volvoering van het eeuwig welbehagen. Boven alle naam. Boven die van engelen en mensen. Die eer komt Hem toe, Hij de Vorst der aard, door Wien de koningen regeren en de vorsten gerechtigheid stellen, is die hulde waard.

Christus is verhoogd tot een Vorst en Gebieder der volken, zodat Hem alle dingen onderworpen zijn. Deze Jezus, Die gekruist is, heeft God gemaakt tot een Heere en Christus, tot een Man, door welke God straks de aardbodem rechtvaardiglijk oordelen zal, dewijl Hij Hem uit de doden heeft opgewekt. Ziet daar, lezer, daarin is Christus uitermate verhoogd, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid Gods, des Vaders. Dat was het oogmerk van Zijn verhoging. Alle knie zal zich buigen voor Zijn macht, majesteit en heerlijkheid, gelijk Jesaja reeds voorzegt heeft: Mij zal alle knie gebogen worden en alle tong zal Mij belijden. Betekent dit nu, dat alles wat in de hemel, op de aarde en onder de aarde is, zalig worden zal? Stellig niet, lezer. De Schrift leert op geen enkele plaats een algemene verzoening. Maar hier wordt samengevat, die wel en die niet zalig worden, die allen zullen Zijn macht erkennen. Zelfs Zijn vijand lekt het stof. Er is dus een tweeërlei buigen van de knie, een gewillig en een gedwongen buigen. In de hemel buigen zich engelen en gezaligden voor Hem; op aarde buigen verloren zondaren de knie des harten, wanneer Gods Geest hen overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, maar ook wanneer diezelfde Geest hen Christus ontsluit in al Zijn dierbaarheid en schoonheid. En zij, die zonder Christus sterven, zullen in het uur van hun verscheiden moeten erkennen, dat Hij de Heere is. Zelfs degenen, die onder de aarde zijn. Men kan hier denken aan gestorvenen en duivelen, die geesten uit de afgrond genoemd worden. Ook de duivelen zullen moeten erkennen, dat Christus de Heilige Gods is. Gelukkig hij, die gewillig de knie voor deze Hemelkoning leert buigen in het stof, in de erkenning, dat Hij rechtvaardig is in Zijn richten en rein in Zijn spreken. Zulk een zal Zijn Naam ook leren belijden voor engelen en mensen. Dit belijden der tong immers voegt de apostel hier als tweede oogmerk van Christus verhoging toe. Alle tong zal Hem belijden. Engelen, mensen en duivelentong zal belijden dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Ontzettend, zo dit belijden een geveinsd, gedwongen belijden zal zijn. Zalig, die Hem gewillig mag roemen en belijden door de werking van Zijn Heilige Geest, waar immers niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest. Lezer, mag ik u vragen, kent u dat zoete buigen voor God in het stof, dat vallen voor Hem neer in ware ootmoed en verslagenheid, gedreven door de innerlijke betrekking der liefde? Kent u dat belijden van Christus als de Heere, niet met de lippen alleen, maar als vrucht van een geloven met het hart? Daarin wordt God verheerlijkt. Die de Zoon eert, eert ook de Vader, maar die de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet. God wordt verheerlijkt zowel in de behoudenis van Zijn volk, als in het verderf van Zijn vijanden. Hij heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil, ja ook de goddeloze, tot de dag des kwaads. Het ganse Middelaarswerk van Christus loopt uit op de verheerlijking Gods des Vaders. Dat is de troost voor een volk, dat met smart inleeft God van Zijn eer beroofd te hebben. In Christus nu komt God aan Zijn eer en in Christus zal de kerk eeuwig God verheerlijken, hetgeen hun zaligheid is. Hier in beginsel door het geloof en straks volmaakt in de hemelen. Onbekeerde van hart, de Heere brenge u aan Zijn voeten in ware verbrokenheid en verslagenheid des harten. Die in ´t stof ligt neergebogen wordt door Hem weer opgericht. Is Hij uw Heere? Zo buigt u voor Hem neder. Geeft de Heere de heerlijkheid Zijns Naams en komt tot Zijn heiligdom. Omdat Christus uitermate verhoogd is, zult ook gij met Hem verhoogd worden in heerlijkheid. Hoe groot zal dat zijn. Dan zult ge uw wens verkrijgen om Hem, Die u kocht met Zijn bloed op te offeren de varren uwer lippen. Hem toebrengende eer en heerlijkheid, aanbidding en dankzegging, tot in alle eeuwigheid

Wijlen ds. G. J. van den Noort