De goede Herder

‘Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen en worde van de Mijnen gekend’.

Johannes 10:14

Op vele plaatsen in Gods Woord wordt de Heere Jezus, Die het Hoofd Zijner gemeente is, de ‘Herder’ genoemd en Zijn volk is de kudde welke Hij leidt en weidt. In vers 11 van dit hoofdstuk heeft de Heere Jezus ons geleerd waaraan we een goede herder kennen. De goede herder stelt zijn leven voor de schapen. En hoe leert ons het gebeuren op de heuvel van Golgotha, dat Jezus de goede Herder was. Daar toch heeft Hij Zijn leven afgelegd. Om Zijn schapen het leven te geven is Hij, de Herder, de dood ingegaan. Ik ben de goede Herder, zo kan Hij getuigen Die Zijn leer met Zijn bloed heeft bezegeld. Staande in de plaats van Zijn schapen heeft Hij de toorn Gods gedragen, is Hij een vloek geworden, heeft Hij zich in het gericht Gods begeven, heeft Hij de helse angsten geleden en heeft Hij aan het Goddelijk recht voldoening gegeven. Van Hem mogen Zijn schapen het dan ook uitroepen: Ja, waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten die heeft Hij gedragen. Hij heeft onze ongerechtigheden op Hem doen aanlopen. Ja waarlijk, Hij is de goede Herder. De goede Herder nu zegt: en Ik ken de Mijnen. De Mijnen, zegt Hij, omdat zij Zijn onbetwistbaar eigendom zijn. Hij heeft ze ontvangen uit de hand des Vaders. Ze zijn Hem gegeven op grond van Zijn eeuwige borgstelling. Ja, Hij heeft ze gekocht met de prijs van Zijn dierbaar bloed en Hij kent ze! Allen tezamen, maar ook elk in ’t bijzonder. Hij kent ze reeds van eeuwigheid. Hij kent ze als ze nog leven in hun natuurstaat en Hij bevestigt dat Hij ze kent, als Hij ze roept in het uur van hun levendmaking. Vers 27: Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. Neen, als die Herder ons roepen gaat, al kennen wij Hem dan niet, dan is er niets of niemand dat ons weerhouden kan. Dan roept Hij uit de dood tot het leven en uit de duisternis tot het licht. We gaan Hem volgen zoals Hij ons leiden gaat in de diepte van onze ellende om dan op Gods tijd gebracht te worden tot de kennis der verlossing in Christus. En zo is het een onuitsprekelijk voorrecht, dat Jezus de Zijnen kent en ze daarom roept. Maar voor de mens is noodzakelijk, dat hetgeen volgt in deze tekst beleving wordt, nl.: ‘en worde van de Mijnen gekend’. Hij werkt toch in het hart der Zijnen een bovennatuurlijke geheiligde kennis door de Heilige Geest. Zijn volk kent Hem, omdat Hij Zich aan hen openbaarde. Voor velen schijnt het genoeg dat er een omkeer in hun leven plaats vond, en bij conclusie maken zulken dan op dat ze van dood zijn levend gemaakt; dat ze gekenden des Heeren zijn en schapen van de Herder. En met wat beschouwende kennis van de Herder en Zijn werk reist men de eeuwigheid tegemoet. Maar wat zal het straks zijn, als de Herder zeggen zal: ‘Ik heb u niet gekend!’ Maar aan Zijn ware schapen heeft Hij Zich geopenbaard en openbaart Hij Zich. Hij maakte Zich bekend toen zalig worden voor hen onmogelijk werd. Toen zij God mochten billijken als Hij hen eeuwig zou wegwerpen en ze God in Zijn recht gingen toevallen. Toen werd door middel van Gods Woord die Herder hen voorgesteld en mochten ze in Hem gaan zien een weg ter ontkoming van de welverdiende straf en tot bevrediging met God. Ja, die Hem kennen beminnen Hem. En des te meer het Hem behaagt Zich de Zijnen te openbaren, des te meer gaat ook de liefde tot Hem uit.  Wanneer we verwaardigd worden als ware schapen Hem te volgen in Zijn vernedering, zal Hij ons dierbaar boven alles worden. Immers toch in de weg der ontdekking en ontgronding wordt de onmisbaarheid en noodzakelijkheid ingeleefd van een Borg voor onze schuld en een Losser voor onze ziel. En in de afsnijding van eigen leven onder het recht Gods en verlies van alles buiten Hem, is de weg, om Hem óók te gaan volgen in Zijn verhoging. Welgelukzalig die Hem alzo kennen mogen en uitroepen: ‘De Heere is MIJN Herder!’

Wijlen Ds. A.F. Honkoop (1921-2008)