De goede strijd

“Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven”.

1 Tim. 6:12

Lezers, de derde predikant die Capelle uit des Heeren hand ontving was ds. L. Blok. Komende vanuit zijn eerste gemeente, Beekbergen, heeft hij onze ongedeelde gemeente mogen dienen van 1973 tot 1979. Toen wees de Heere hem de weg naar Nunspeet. Hieronder volgt een meditatie van onze broeder die nu predikant van Gorinchem is en thans de langst dienende predikant in actieve dienst van onze gemeenten is.

In de bovengenoemde tekst horen we het wapengekletter klinken. Dit moet ons allen toch zeker wel aanspreken. Zaken als oorlog en vrede komen in deze tijd in hun aangrijpende ernst aan de orde. We kunnen en mogen daaraan niet voorbijgaan. Nu roept de apostel Paulus Timotheüs op tot de strijd en wel tot de goede strijd des geloofs. Sedert eeuwen wordt er op aarde één en dezelfde strijd gestreden. Ze dateert vanaf het paradijs en zal eerst dan beëindigd worden wanneer Christus komen zal op de wolken des hemels. Over deze geweldige strijd spreekt 1 Tim. 6:12. Het is een strijd tussen Christus en satan, tussen het Vrouwenzaad en het slangenzaad. In aardse oorlogen kunnen vele volkeren gemengd worden, maar de strijd, die hier bedoeld wordt is een strijd, waarbij de hemel en de aarde, engelen en mensen, God en de duivelen betrokken zijn. Weet je wat de grote inzet is van deze oorlog? De uitverkoren mensheid, de gemeente der uitverkorenen, die God lief heeft met een eeuwige onbevattelijke liefde. Niemand kan in deze worsteling neutraal blijven. Op het grote slagveld van de wereld staan twee legermachten aangetreden; de ene onder Koning Jezus als veldoverste en de andere onder satan, Gods wederpartijder als aanvoerder. Iedereen wordt gedwongen partij te kiezen. Wie niet voor is, die is tegen; wie geen vriend is, is een vijand. Ook wij allen zijn in deze strijd betrokken. Juist op school, in het werk op kantoor of fabriek in de omgang met anderen komt het duidelijk partij kiezen zo openbaar. Geve de Heere ons allen die genade, die brengt tot de onberouwelijke keuze tegen de duivel en de zonde en voor God, Zijn dienst en Zijn volk. Immers dan zal dit blijken in de vrucht. Hij, die satans legermacht leerde verlaten en door genade onder Christus’ vaandel zich mocht scharen, zal in de strijd gewikkeld worden. Paulus gebruikt hier een woord, dat ontleend is aan de Griekse spelen. In het dal van Olympia werd ter ere van Zeus ieder jaar een groot festijn georganiseerd, de zogenaamde kampspelen. Allerlei kampvechters kwamen tegen elkaar uit. De Grieken noemden die spelen goed en schoon, omdat de schone lichaamskracht en de schone behendigheid van de kampers openbaar kwam. Paulus echter spreekt tot Timotheüs over een veel betere en veel schonere strijd, ondanks alle gevaren die daaraan verbonden zijn. Hij wekt op tot de strijd des geloofs en op twee terreinen moet deze strijd gestreden worden. Ten eerste op het enge terrein van het menselijk hart en ten tweede op het brede en grote terrein van de wereld waarin wij leven. Van nature beseffen we er niets van dat wij in de macht van satan zijn. Hoe aangrijpend is het dat we reeds vanaf onze geboorte gemobiliseerd en ingeschreven zijn in het leger van satan. De Heere Jezus heeft gezegd: wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede. Dat is nu de geestelijke doodstaat van de mens. Hij is gemobiliseerd in de strijd tegen God. Maar zodra hart vernieuwende genade wordt verheerlijkt, we gebracht worden tot een wederkeren met de verloren zoon, tot een oprechte keuze met Mozes, dan begint de strijd. Allereerst op het terrein van het eigen hart. Satan kent de zwakke plaatsen in de ringmuur van zulk een hart. Ben je niet te bewegen tot de zondige daad, dan zal hij trachten te bewegen tot het zondige woord en de zondige gedachte. In dagen van voorspoed valt hij anders aan dan in dagen van tegenspoed. Hij heeft voor iedere leef omstandigheid zijn eigen tactiek. Als je slaapt, zorgt hij wakker te zijn. Als je waakt, dan houdt hij zich slapende. Zo is de duivel op allerlei manier bezig om het hart, dat aan zijn dienst onttrokken werd en tot die nieuwe keuze kwam, te bestormen en weer terug te winnen. En in dat hart vindt hij een bondgenoot (de oude mens), die in een onbewaakt ogenblik de poort van stad mensenziel openwerpt om de vijand binnen te laten komen. De strijd is ook op het brede veld van het leven. De wereld is zulk een machtige bondgenoot van satan. Er gaat van de wereld, bestaande in de begeerlijkheid des harten, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, zulk een ontzaglijke bekoring uit. Satan gebruikt dit alles om weer in zijn macht te krijgen. Wat een ontzettende, bange en benauwde tijd is het. En toch noemt Paulus het een goede strijd. Waarom blijft die strijd in al zijn hevigheid en verschrikking een goede strijd? Wel, deze strijd komt op uit het goede en schone beginsel van de liefde Gods, die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort. Maar nu kan ze alleen gestreden worden in de kracht des geloofs. Het is dus geen strijd in eigen kracht, steunend op eigen wapens. Het is een hele specifieke strijd, zoals de wereld die niet kent, een strijd des geloofs. Lees eens Hebreeën 11, waar onze aandacht gericht wordt op al die helden en heldinnen die gestreden en overwonnen hebben en telkens keert het terug: “door het geloof”. Wat wil dat nu zeggen? Het oprechte geloof is de band der gemeenschap aan Christus. Zij hebben dus gestreden en overwonnen, verbonden aan Christus. De Heere Jezus is de grote Veldoverste, Die voor de Zijnen God heeft verzoend, zodat God, Die eerst tegen hen was vanwege hun zonden, nu voor hen is. Hij heeft satans kop vermorzeld, zodat die vijand hen nu nooit meer geheel in zijn macht zal kunnen krijgen. Hij roept hen toe: “hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen”. En nu is het in het geloof, dat steunt op Christus’ verzoening, op Zijn triomf over de dood, hel, satan en wereld, dat de ware strijder strijdt. Echter moet één grote les goed geleerd worden: Zonder Mij kunt gij niets doen. Eigen krachten moeten gebroken worden om te kunnen strijden in de kracht des geloofs. Wat is dat een moeilijke, maar ook een pijnlijke les om te leren. Om een kind te leren dat het zonder de hand van moeder niet lopen kan, moet de moeder dat kind wel eens loslaten, laten vallen en zich laten bezeren, opdat dat kind zou gevoelen zonder de hand van moeder niet te kunnen lopen. Zo handelt de Heere menig keer met de Zijnen. Denk alleen maar aan Simon Petrus. Een ieder van Gods ware kinderen heeft geleerd langs een pijnlijke en smartelijke weg, wat onze Catechismus zegt: “dewijl wij van onszelf zo zwak zijn dat wij niet één ogenblik kunnen staande blijven, wil ons toch staande houden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes”. Zulke zwakken, zulke struikelenden en ellendigen gaat God nu leren wat geloven is, wat eigenlijk zich verlaten en steunen op en toebetrouwen aan Christus betekent. Het is daarom een heel aparte strijd, waarin de mens eerst ondergaat met alles wat van zichzelf is en waarin God hem dan leert liefelijk te leunen op die grote Overwinnaar. Hij immers heeft het gesproken: “de Heere uw God zal voor u strijden en gijlieden zult stil zijn”. Tot deze strijd wil ik ieder, jong en oud, uit de gunning van mijn hart oproepen. Steun niet op eigen kracht, op uw rechtzinnigheid of vermeende godzaligheid. Vraag in uw leven om die genade, die, te midden van alles wat ons in beslag wenst te nemen en wat je hart je ingeeft, te leren leunen op Hem. De ware strijder sterkt zich met Christus’ liefde en Zijn genade. Die wapent zich met het borstwapen van Jezus’ gerechtigheid; die doet op zijn hoofd de helm van de door Jezus verworven zaligheid; die hanteert het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Zo alleen kan zulk een strijder strijden niet alleen, maar ook in Gods kracht overwinnen. Paulus roept immers Timotheüs toe: grijp naar het eeuwige leven. Het eeuwige leven is de kroon op die strijd. Het is de lauwerkrans aan het einde van de loopbaan nl. het eeuwig zalig leven bij God. Dat leven hebben we in Adam verloren en is door ons ook niet meer terug te winnen en terug te grijpen. Paulus bedoelt ook niet: zoek zelf terug te verdienen wat je in Adam door eigen schuld bent kwijt geraakt. Dat is een eeuwige onmogelijkheid. De apostel denkt weer aan die spelen in het dal van Olympia. Hij ziet in gedachten mensen lopen in die loopbaan en aan het einde ervan hangt de lauwerkrans. Wat doen nu die lopers? Die gaan lopen met het oog gericht op de lauwerkrans. Ze lopen om het hardst om die te grijpen. Zo moet ook Timotheüs in de loopbaan des geloofs naarstig strijden en met al zijn kracht worstelen, opdat hij zal verkrijgen het eeuwige leven. De weg naar de hemel, zoals die door Christus is gebaand en de weg tot hemelse gelukzaligheid, zoals Gods kinderen die moeten gaan, dat zijn toch weer twee zaken. Van de zijde van Christus geldt het: Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan tot in der eeuwigheid. Niet één van Gods volk zal afvallen, er blijft er niet één achter. Maar aan onze zijde geldt het : En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond zo hij niet wettelijk heeft gestreden. Bedenk dat u allen, op de tijd daartoe bepaald, een oproep ontvangt om voor de Koning der koningen te verschijnen. Hoeveel oproepen hebben wij in het leven al ontvangen om in Zijn dienst te treden? Strijd schrikt ons af, vrede – het is echter een valse vrede – trekt ons meer aan. Als het aan ons ligt, zullen we dienst blijven weigeren, ja zullen we deserteurs blijven, zoals we dat in het paradijs moed- en vrijwillig zijn geworden. Wat een wonder echter, als de oproep van ‘s hemelswege vergezeld gaat met de krachtdadige en onwederstandelijke bediening van de Heilige Geest. Koning Jezus heeft op de dag van Zijn heirkracht een zeer vrijwillig volk. Vijanden worden dan vrijwilligers, die betuigen: Gij zijt mij te sterk geworden en Gij hebt mij overreed. En hoewel ze ervaren gaan in zichzelf alles te missen wat tot die strijd nodig is, God heeft in Christus ervoor gezorgd dat het hen, steunend op Hem alleen, aan niets zal ontbreken. In ons leven komen we aan de weet dat satan met machtige middelen alles zoekt te doden wat met God en Zijn Woord te maken heeft. Daarom, zoek sterkte in Gods Woord, in persoonlijk gebed en kerkgang. Breng de kostbare genadetijd niet door in ledigheid, die des duivels oorkussen is. Er is geen zaliger en schoner dienst als de dienst des Heeren. Van die liefdedienst krijgt Zijn volk nooit genoeg. Ze geeft ook zulk een uitnemend uitzicht op de eeuwige gelukzaligheid in Hem die Verwinnaar is in de strijd en Zijn volk de zegen geeft.

Ds. L. Blok