De hemelse wandel van het adventsvolk

“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus.“

Filippenzen 3:20

Wanneer we deze regels schrijven, zijn de donkere dagen van de decembermaand weer aangebroken. Dat donkere in de natuur geeft ook iets weer van de duisternis dezer wereld. Het is donker op de aarde als we zien hoe de wolken van Gods oordelen zich samenpakken. Maar niet minder ook donker in ons hart vanwege de zonde en het inwonend verderf. Het is ook donker in de kerk; allerwegen moet de kandelaar van Gods woord wijken voor de verlichte wetenschap van de hedendaagse theologie. Donker ook in het leven van de kinderen en knechten des Heeren, door onverdraagzaamheid, liefdeloosheid en vereenzaming. Maar toch, ondanks alle donkerheid zijn er ook vandaag nog jongeren en ouderen die hunkeren naar God en Zijn gemeenschap. Die mensen zijn aanvankelijk of opnieuw bepaald door de Heilige Geest bij de oorzaak van de duisternis. In de staat der rechtheid, in het paradijs kenden Adam en Eva maar één duisternis en dat was de nacht die zich onderscheidde van de dag. Het is door de zondeval dat het licht van Gods vriendelijk aangezicht verduisterd is. En de beleving daarvan doet uitroepen: ‘Wee mijner dat ik zo gezondigd heb!’ Want de duisternis predikt Gods oordeel over mijn zonden, namelijk de dood. En alleen als God m’n ogen opent, geliefde lezer, ga ik zien hoe donker het is. Als de Heere dan geen uitkomst geeft, heb ik rechtvaardig verdiend om straks in de buitenste duisternis geworpen te worden. O, wat een onuitsprekelijk wonder voor diegenen, die smartelijk beleven naar de hel te moeten, als de hemel zich gaat openen. Dan wijkt alle duister en juicht het hart:

Bij U, Heer’, is de levensbron;
Uw licht doet, klaarder dan de zon,
ons ’t heuglijk licht aanschouwen.

Verlost uit de duisternis dezer wereld, hebben Gods kinderen, door Gods genade hun wandel in de hemelen. Het is een gebruikelijke manier van spreken door de apostel. Hoe vaak heeft hij het niet over wandelen, lopen en reizen. Daarmee bedoelt hij nadrukkelijk aan te geven dat Gods kerk hier haar bestemming niet heeft. Niet in deze wereld, maar in de hemelen. Kom, beken het eens eerlijk voor God, hoedanig is onze wandel? In de voorgaande verzen spreekt Paulus wenende over al die mensen die in vijandschap wandelen: ‘Vijanden van het kruis van Christus, welker einde is het verderf’. Maar die hun wandel in de hemel hebben, leven zoals ons doopformulier zegt: ‘De wereld verzaken, onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen’. Dat is nu het ware adventsvolk, met een verwachting naar de hemel. Paulus zegt: ‘De Zaligmaker, namelijk de Heere Jezus Christus’. En waarom die verwachting? Wel, omdat ze weten: buiten Jezus een stikdonkere nacht. Buiten de Heere Jezus Christus: alles de dood! En die verwachting zal nu nooit beschaamd worden! Bewijzen? ‘En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon en deze mens was rechtvaardig en godvrezende, verwachtende de vertroosting Israëls’. En zie, daar mag hij op Gods tijd de Heere Jezus Christus omhelzen: ‘Nu laat Gij Heer’ Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien’. Schep dan moed, die met de dichter instemt:

Ik blijf den Heer’ verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
op Zijn onfeilbaar woord.

Wanneer het gebeurt….? Menigmaal in de nacht. ‘Ziet ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids’. O, wat een heerlijke Zaligmaker uit een heerlijke hemel in een donkere wereld, ja in een duister hart. De Heere geve uit genade ook in ons, in mijn hart:

‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht
zingen, daar ik Hem verwacht;
en mijn hart, wat mij moog treffen,
tot den God mijns levens heffen.

Ds. J.J. Tanis