De laatste vijand

“De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood”.

1 Korinthe 15:26

In de gemeente van Korinthe waren mensen, die meenden dat de opstanding reeds geschied was, namelijk op geestelijke wijze, in de wedergeboorte, of de geestelijke vernieuwing. Zij wilden van een lichamelijke opstanding niet weten. Tegen deze dwaling nu verdedigt de apostel de waarheid van het Woord Gods. Daarom zegt hij: Als het waar is wat “sommigen zeggen, dat er geen opstanding der doden is, zo is ook Christus niet opgestaan, en zij zijn ook verloren die in Christus ontslapen zijn, en zo is ons geloof tevergeefs”. En inderdaad, als dát waar was, dan zou, al had dan de hel het verloren, toch de dood het gewonnen hebben. “Maar”, zo zegt hij: “Christus is opgewekt, en is de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn”. Elders zegt hij, dat “door de zonde de dood in de wereld gekomen is, dewelke is doorgegaan tot alle mensen”. God had de mens niet geschapen om te sterven, maar om te leven. Maar nu de mens van God is afgevallen, is hij een vijand van onze persoon, van ons gezin, van het gehele menselijk geslacht. De dood loert op ons leven reeds van onze kinderjaren af. Gods Woord zegt dat “het leven maar een damp is en de dood ieder uur wenkt”. Ja, er is “maar één schrede tussen ons en de dood”. De dood werpt een brede schaduw op onze levensweg, in zieke dagen, maar ook in gezonde dagen. Zelfs de gezondste en sterkste mens vreest voor de majesteit van de dood, voor die koning der verschrikking. Wij dragen allen de kiem des doods in ons. “Wat mens leeft er, die de slaap des doods niet eens zal slapen? Wie redt zijn ziel van ‘t graf?” De dood is een vijand van jonge mensen, wier jonge leven hij soms geheel ongedacht en onverwacht afsnijdt, midden in hun verwachtingen en toekomstdromen. Maar ook in onze grijze dagen is hij onze vijand, voor wie de vreze des doods ons kan aangrijpen. Hij is een vijand van rijken, maar evenzeer van armen. Hij is ook een vijand van Gods kinderen. De dichter horen we zingen: Duizend zorgen, duizend doden Kwellen mijn angstvallig hart, Voer mij uit mijn angst en noden. Ook wij weten van de smarten des doods en de angsten der hel, die hun alle troost doen missen, wanneer de satan benauwt en de zonde als een last hen drukt. Zo is de dood een vijand en dat blijft hij tot het laatste der dagen toe. En toch… Eén is er geweest, Die de dood verslonden heeft tot eeuwige overwinning. Eén is er geweest, Die de dood gedood heeft en de prikkel des doods voor Zijn volk heeft weggenomen. In de dag van Zijn opstanding heeft Christus als de opgestane Levensvorst getriomfeerd over dood, hel en graf. Voor Zijn volk is sterven dan geen sterven meer, maar een erven en een doorgang tot het eeuwige leven. Dat is de troost die Hij de Zijnen heeft nagelaten: “Ik leef, en gij zult leven”. Hij is het Hoofd van Zijn duur verworven bruidsgemeente en Zijn opstanding is een zeker onderpand van hun zalige opstanding. Met hun sterven mogen Zijn kinderen alle moeite en alle verdriet, alle strijd en het lichaam der zonde en des doods afleggen en ingaan in die heerlijkheid, die Hij bereid heeft in het Huis des Vaders. Dan worden naar het woord van de apostel “Hun lichamen gezaaid in de groeve, in de akker der doden in verderfelijkheid; straks wordt het opgewekt in onverderfelijkheid; het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid”. Straks in die dag der dagen zal die opgestane en verheerlijkte lmmanuël Zijn laatste en heerlijke werk doen. Dan moet het graf zijn doden weergeven. Dan moet de dood haar doden weergeven. Dan zal de dood verslonden worden tot overwinning. Maar dan wordt óók de satan geworpen in de poel van het eeuwige vuur, in de plaats van de eeuwige dood. Dan zal de Heere ook de tranen van de ogen van Zijn kinderen afwissen. Dan zal de dood niet meer zijn. Dan zal er geen rouw meer zijn, noch gekrijt. Dan zal eeuwige blijdschap op hun hoofden wezen. Dan zal ook de vreze des doods weg zijn, en de gevolgen van de dood, want dan zal de zonde teniet gedaan zijn. Daar zal zijn leven, leven, eeuwig leven. Verzadiging van vreugde zal de rechterhand des Heeren eeuwig geven. Lezers, zal dit ook voor u zijn de opstanding tot het eeuwig leven? Alle vlees zal opstaan, maar er is ook een opstanding tot een eeuwig verderf. Die opstanding zal zijn voor degenen die buiten Christus zijn, die hier geweigerd hebben hun knie te buigen voor Koning Jezus. Dan bidden wij u nog van Christuswege toe: “Laat u toch met God verzoenen”. Nóg roept de Heere: “Zo waarachtig als Ik leef, dat de goddeloze zich bekere en leve!” Ook voor Gods kinderen is de dood nog zo dikwijls de koning der verschrikking, met recht de laatste vijand. Maar hun zaligheid ligt vast in Hem, Die de dood verslonden heeft tot eeuwige overwinning. Straks, aan het einde van hun loopbaan, zal Hij hen opnemen in eeuwige heerlijkheid en doen beërven de kroon des levens. Zo dan vertroost elkander met deze woorden.

Ds. J.M. Kleppe (emeritus-predikant)