Dit land zal de rust niet zijn

 “Dit land zal de rust niet zijn.”

Micha 2 : 10b

Een mens is een rusteloze rustzoeker. Dit zou zo niet zijn, ware het dat we de rust in het Paradijs niet verstoord hadden. Door de zonde is ons de rust ontnomen. Daar had de dichter wat van geleerd toen hij zong:

Rust noch vrede wordt gevonden,
Om mijn zonden,
In mijn beend’ren dag of nacht.

Zeker, het is niet ongeoorloofd om na een jaar van ingespannen arbeid en studie een ogenblik rust te zoeken in een vakantieperiode. Maar kom, mijn geliefde lezer, is er nu ook een zoeken naar de rust voor onze onsterfelijke ziel? Is de dodelijke rust in mijn natuurlijk bestaan al opgezegd? Zo niet, weet dat de Heere Zijn ‘wee’ over ons uitspreekt: ‘Wee de gerusten te Sion en de zekeren op de berg van Samaria.’ De kanttekenaren zeggen daarvan: ‘Dat zijn de gemakkelijken, die op hun gemak in weelde leven.’ En hoevelen zijn er niet, ook onder ons, die zo gemakkelijk rustig voortleven? Zeker, we zijn rusteloos in ons bestaan, in dit tijdelijk leven, gedreven door de jacht van dit leven. Maar in hoever zijn we bekommerd over het heil van onze ziel? Denk er om dat het vreselijk zal zijn als we zo de eeuwigheid moeten aandoen en God ontmoeten. Dat betekent een eeuwige onrust, zonder ook maar enige onderbreking. En hoe we ook hier rust zoeken en in welk land we ook van de vakantie zullen genieten, van toepassing blijft: ‘Dit land zal de rust niet zijn!’ Maar voor degenen die de Heere vrezen, wacht er een land waar ze eeuwig in de rust zullen delen. ‘Want er blijft dan een rust over voor het volk van God.’ Voor dat volk dat hier wel eens uitroept:

 O HEERE, mijn ziel en lichaam hijgen,
En dorsten naar U in een land,
Dat dor en mat, van droogte brandt,
Waar niemand lafenis kan krijgen.

Hier wordt het telkens weer bewaarheid: Daar zorg, verdriet en jammerlijke plagen, Steeds beurt om beurt de matte ziel doorknagen. Maar straks, kind van God, dan is dat allemaal voorbij. Dan zal de Heere al de tranen van de ogen afwissen en dan zal er eeuwige blijdschap op uw hoofd zijn. O, dat zal wat zijn in het land der rust: eeuwig God dienen, dag en nacht in Zijn tempel! Komt, zijn we onderweg, jong en oud, naar dat Kanaän hierboven? Toe, vraagt u dat eens af tussen God en uw ziel! Dit weet ik wel: als het zo mag zijn, dan zijn de rustdagen hier beneden voor u feestdagen. Dan blijft uw plaats in Gods huis niet leeg, ook niet als u straks elders uw vakantietijd doorbrengt. Daar houden we toch rekening mee, of de mogelijkheid om naar Gods huis te gaan ook elders aanwezig is? Daarvoor gaan toch uw zondagse kleding en uw Bijbel mee in uw koffer? Nee… voor een kind van God is het hier het land der rust niet. Althans, dat mag het niet zijn. Abraham, hij woonde in tenten. Die man was een voorttrekkende reiziger. Maar hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. O, dat de Heere ons allen, voor het eerst of opnieuw de rust mocht opzeggen. Om dan rust te zoeken bij Hem, de Heere Jezus Christus, Die uitgeroepen heeft: ‘Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven’. Het zij onze bede met David:

Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd;
Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen;
Zo wordt opnieuw ’t verbrijzeld hart verheugd,
En in mijn geest de ware rust herboren.

Ds. J.J. Tanis