Een melaatse gereinigd

“En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, ……..”

Markus 1:40-42

Dit tekstgedeelte verplaatst ons naar de begintijd van Christus’ omwandeling op deze aarde waarin een melaatse man tot Christus komt. Melaatsheid was een ernstige en ongeneeslijke ziekte in Israël. De ziekte begon met een kleine witte blaar en verspreidde zich over het gehele lichaam. De priester moest deze ziekte vaststellen. Was men melaats verklaard, dan moest men verstoten uit de samenleving, wonen op een eenzame plaats bij andere melaatsen. Men droeg gescheurde klederen als teken van rouw en moest al maar roepen; onrein, onrein! De melaatsheid is naar Psalm 51 een beeld van de zonde. Het tekent onze ellendestaat van nature. Goed uit Gods hand voortgekomen, zijn we in Adam allen nameloos diep van Hem afgevallen, en door onze erf- en dadelijke zonden gans melaats geworden. Nodig is dat de Heere naar Zijn welbehagen, door Zijn Woord en Geest, ons hieraan ontdekt en mee bekendmaakt. Dan zal er komen een scheuren van onze klederen, dat wil zeggen een rouwklagen over de zonde. Dan zal met diepe smart verstaan worden dat we buiten God en Zijn gemeenschap verkeren. Dan zal door diepere ontdekking geleerd worden; onrein, onrein! Bedorven van de hoofdschedel tot de voetzool toe. Reeds van het uur van mijn ontvangenis af een voorwerp van Gods toorn. Lezer, mag u door Gods genade iets van deze dingen verstaan met het hart? Is dat reeds de nood van uw leven geworden: onrein en aan uw kant onmogelijk om nog ooit genezen te worden?  De man in onze geschiedenis had naar Markus 1:28 van Jezus gehoord. Dat gerucht had, bij deze ten dode opgeschreven man, geloof en hoop verwekt, dat hij door deze Profeet genezen zou kunnen worden. Daarmee was die man nog niet genezen, maar het heeft hem wel hoop en moed gegeven temidden van zijn dodelijke kwaal. Zo wil de Heere aan een volk, dat door de overtuiging en ontdekking aan hun melaatsheid in de nood en onmogelijkheid gebracht is, in de ontsluitingen van het Woord doen horen van de mogelijkheid van genezing en herstel, die er buiten hen te vinden is, in Hem, Wiens naam is Jezus. Hij, Die de Zaligmaker is, Die verlossen kan van het grootste kwaad, de melaatsheid en brengen gaat tot het hoogste goed, Gods gunst en gemeenschap, die zij zo smartelijk om eigen schuld missen moeten.

Wat een wonder als Gods Geest in de nood van het leven, de oren aangaande Hem gaat openen. Dat verwekt een stille hoop in het hart. Daar is nog reiniging mogelijk, maar daarmee zijn ze niet gereinigd. Dat is juist de blijvende nood van hun leven. Geliefde lezer, is dit de beleving van uw ziel reeds geworden: hoe zal ik ooit in een rechte weg gereinigd worden van mijn melaatsheid en Gods gunst en gemeenschap in en door dat enige aangewezen Middel weer mogen proeven en smaken?  Hoe wordt deze melaatse man nu gereinigd? De Heere gaat hem, zo blijkt uit het vervolg van de tekst, twee dingen leren. Die twee zaken vormen juist de inhoud van zijn gebed. Daarin belijdt hij, wat hij door Gods Geest in zijn hart doorleeft. Dat gebed luidt: “Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Deze man mag hier buigen voor Gods vrijmacht: “In dien Gij wilt.” Hij verstaat het met zijn hart, dat hij het niet waardig is dat de Heere hem geneest. Hij verdient de dood en het oordeel. Anderzijds weet hij ook geen andere weg dan neer te vallen aan de voeten van deze wonderdoende Profeet, van Wie hij gehoord heeft, dat alleen bij Hem alle macht is om hem te genezen. Dat belijdt hij in die paar woorden: “Gij kunt mij reinigen.” Deze twee lessen gaat de Heere door Zijn Woord en Geest al die ware overtuigde en ontdekte zielen leren, die wel horen mochten van het Middel ter genezing, maar die nog altijd als een melaatse over de aarde gaan. Die twee zaken: buigen onder Gods rechtvaardige vrijmacht en anderzijds het smeken om Gods genadige almacht, vinden we zo schoon terug in zondag 5 van onze Heidelbergse Catechismus.

Kom, weet u bevindelijk van deze plaats af in uw leven? Alleen in die weg komt er plaats voor de openbaring van die gezegende Zaligmaker en de reinigende kracht van Zijn bloed. Hoor welk een gepast antwoord Christus in vers 41b geeft op dit gebed. De melaatse boog onder Gods vrijmacht en Christus gaat nu in die paar woorden: “Ik wil, word gereinigd”, spreken van Zijn gewilligheid om hem te reinigen. De melaatse smeekte om Zijn genezende almacht en terstond, vers 42, wordt hij door Christus van zijn melaatsheid gereinigd. Zo spreekt de Heere altijd gepast in het leven van Zijn kinderen. Hij maakt er eerst plaats voor om hen dan in de weg van het wonder te doen ervaren; Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft en dat van blijde troost en vrede. Dan mag een buigende melaatse, in dat bloed van Christus reiniging vinden voor zijn melaatse ziel. Dan ligt in de stand van het leven de schuld bedekt en mogen ze iets proeven van Gods gunst en gemeenschap, die vrede en blijdschap geeft in de ziel. En dat alles alleen om Jezus’ wil. Hij heeft de hemelse heerlijkheid verlaten en de melaatsheid van Zijn Kerk op zich genomen. In de weg van dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid heeft Hij Gods recht voldaan, de wet vervuld en de straf der melaatsheid gedragen en weggedragen. Opdat Zijn melaatse Kerk, door Hem gereinigd, weer in Gods gemeenschap hersteld zal worden en dat uit vrije genade alleen. Daarom zal de roemtaal van Gods Kerk ook zijn: “Door U alleen om ‘t eeuwig welbehagen”. Medereiziger naar de eeuwigheid, zal dat ook uw werk zijn tot in eeuwigheid.

Ds. A. Verschuure