Een noodzakelijke wetenschap

“Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, (maar) eeuwig in de hemelen.”

2 Korinthe 5:1

Bereidt uw huis want gij zult sterven. We zien en horen het telkens om ons heen. Gedurig komen de roepstemmen tot ons. Jonge mensen waar de levensdraad plotseling wordt afgesneden. Oudere mensen die de weg van alle vlees moeten gaan. Het roept ons toe dat ook ons aardse huis zal worden gebroken. Wij, die geschapen zijn om eeuwig te leven tot Gods eer, moeten sterven vanwege onze zonde. Want de Heere heeft gezegd: stof zijt ge en tot stof zult ge wederkeren. Ons lichaam, ons aardse huis wordt gebroken. Het wordt vergeleken bij een tabernakel, een tent, die er maar even staat en dan weer wordt weggenomen. Het wordt gebroken, hetzij in de vroege morgen van het leven, in de kracht of in de avond van het leven. David zegt in Psalm 39: ‘HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij. Zie Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een iedere mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid.’ Wij weten. We zien het om ons heen. Maar om dit werkelijk te verstaan is het zo nodig dat de Heere onze blinde zielsogen opent. Dan, verlicht door Gods Geest, gaan we ons leven zien in eeuwigheidslicht. Dan stellen we de dag van onze dood ook niet meer ver weg, maar dan is er geen rust eer we geborgen zijn in de Schuilplaats van de Allerhoogste. In de wetenschap van de broze vergankelijkheid van ons leven wordt het dan voor ons van het allergrootste belang om een gebouw van God te hebben. Een vaste en blijvende woning door de Heere bereid en geschonken. Een gebouw niet met mensenhanden gemaakt, want daar blijft niets van over. Maar een eeuwig gebouw van God, waar geen mensenhand aan te pas komt. God de Vader ontwierp het bestek van dit gebouw. Het Fundament van dit Godsgebouw is Christus de Gekruisigde. En God de Heilige Geest past dit Godswerk toe in de harten van adamskinderen naar Zijn welbehagen. Lezer, de Heere opene ons oog voor de broosheid van ons bestaan, een tent. Dat er maar één schrede is tussen ons en de dood. Wanneer wij geen deel hebben aan dit Godsgebouw, dan worden wij door de storm van Gods toorn weggevaagd en dat voor eeuwig. Om toch geen rust te hebben eer wij mogen weten op goede gronden, met de apostel, gefundeerd te zijn op de enige Rotssteen des behouds, Christus. Want die Man zal zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed. Wie hier door genade in mag delen gaat hier al bij ogenblikken zingen van dat wondere Godswerk en zal, wanneer dat aardse huis wordt gebroken, eeuwig gaan zingen van Gods goedertierenheden.

ds. G.J.N. Moens