een wonderbare beschikking Gods

“Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.”

Matthéüs 26 : 7

ezer, als wij vernemen hoe de Heere Jezus kort voor Zijn lijden door een wonderbare beschikking Gods met zulke kostbare olie gezalfd werd, dat het gehele huis vervuld werd met de reuk der zalf en wij Hem zo, als de gezalfde des Heeren, naar Gethsémané en Golgotha zien heengaan, dat maakt Zijn lijden eerst recht gewichtig, ja dierbaar, zodat wij met de Bruid in het Hooglied kunnen zeggen: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. O ja, mijn vrienden! Want bedenkt, die Jezus van Nazareth, die in Gethsémané als een worm op de aarde lag, sidderende en bevende voor de Goddelijke toorn, die als een dief en moordenaar gevangen en gebonden, gelasterd, veroordeeld, ja ter dood gedoemd en aan het kruis genageld is, die Jezus wordt ons hier voorgesteld als de gezalfde des Heeren, tegen Wie de Koningen der aarde zich stellen en de Vorsten tezamen beraadslagen. O, wat een onuitsprekelijke waarde heeft toch Jezus’ lijden voor Zijn arm volk, hoe het de satan ook moge verdrieten. Er is niets aanbiddelijker voor een kind van God dan het lijden van onze dierbare Heere Jezus, de Zoon van de gezegende God, door Wiens wonden wij genezing ontvangen. Daarvoor zullen al de uitverkorene heiligen Hem eeuwig aanbidden en Hem het nieuwe lied toezingen: Hem, die geslacht is en ons Gode gekocht heeft met Zijn bloed, zij eer en heerlijkheid en dankzegging in alle eeuwigheid! Dan zien wij hoe Gods toorn vanwege Zijn heiligheid en gerechtigheid de zonde moet straffen. Maar wij zien ook tevens de eeuwige liefde van de Vader tegenover arme zondaren.

O, wonder van Gods vrije genade, die dierbare Heiland onder de last der zonden van Zijn volk, door Goddelijk licht te mogen erkennen voor de Gezalfde Christus, van Wie geschreven staat, dat het des Vaders welbehagen geweest is dat in Hem al de Godheid lichamelijk wonen zou. En als Jezus zo door ons erkend mag worden, dan ontvangen wij ook de zegen van Zijn kruisdood; dan riekt men Zijn zalf; dan is Hij ons een welriekende Bruidegom. Want die zalving van de Heilige Geest, die ons het lijden van Jezus bekend maakt, is ons door Jezus’ lijden en gehoorzaamheid verworven en teweeg gebracht door Zijn bloed; die genade stroomt ons toe uit Zijn wonden. Want die stroom van de Geest komt van de troon, waarop het geslachte Lam zit. Hij komt van de zuidzijde van het brandofferaltaar. Dat is ook de oorzaak, waarom het woord van Jezus’ lijden Geest en leven is; waarom de prediking van Jezus’ kruis een goede reuk heeft. Want de Geest getuigt door de prediking van de gekruiste Jezus; daarom openbaart die ook soms zo’n hartoverbuigende kracht, die zo ingrijpt in de ziel. Het kan de dode harten uit hun zondeslaap opwekken. Het kan verbrijzelde zondaars maken, en waar zulks heeft plaats gehad, de ware troost in het hart brengen, opbeuren en verkwikken. Maar in alle troost, die niet uit Jezus’ wonden vloeit, wordt de Geest gemist, die is dood en zonder de minste levensreuk. Wanneer men zo het lijden van Jezus mag beschouwen, dan wordt men ook doordrongen van die heilige reuk. Want onze dierbare Borg is in al de stukken van Zijn lijden voor de Zijnen een gezalfde en welriekende Heiland.

Maar niet alleen in Bethanië ruikt men Zijn zalf, maar ook in Gethsémané, in het paleis van de hogepriester, in het rechthuis van Pilatus, in zijn uitgang uit Jeruzalem en op de berg Golgotha. Als de Heilige Geest Jezus in ons hart gaat verheerlijken en ons door het geloof bij de in Gethsémané kampende Heiland brengt, waar de eeuwige Zoon van God als een worm op de aarde neerligt, om voor onze hoogmoedige afval van God bij zijn eeuwige Vader te boeten; als wij krijgen in te zien, hoe Hij daar kampt en worstelt onder het gevoel van Gods toorn, die wij eeuwig verdiend hadden, dan vervult de kracht van die balsem zó ons hart, dat het plaats maakt voor de niet uit te spreken Goddelijke vrede. Want Zijn weeën, Zijn angstig strijden, Zijn roepen en smeken is de oorzaak van al onze troost en zal het ook zijn van onze eeuwige vreugde.

D. Bruinings (1704-1749)