EEN WONDERLIJKE GEBOORTE

“En zij baarde haar eerstgeboren Zoon’.

Lukas 2:7a

Eén geboorte is er maar geweest als deze, en zulk een geboorte zal er nimmer volgen. Paulus getuigt ervan: ‘De verborgenheid der Godzaligheid is groot, God geopenbaard in het vlees.’ Want deze Zoon van Maria was tevens de Zone Gods. Nooit te bevatten: Hij is ontvangen van de Heilige Geest. “Daarom ook dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden”. Heel de wereld viert Kerstfeest. Tegenover de massa is er maar een enkeling die weet waar het over gaat, een enkeling die de bate en de troost daarvan mag ervaren. Want Hij is gekomen om door Zijn Heilige geboorte en gerechtigheid al de zonde, ongerechtigheid en eigengerechtigheid van Zijn volk te bedekken en hun een eeuwige verlossing teweeg te brengen en hen alzo met een Drieenig God te verzoenen en in Zijn gemeenschap te herstellen. O, dat Hij zichzelf zo diep heeft willen vernederen, dat Hij in een beestenstal geboren is. Nergens plaats dan alleen in de allerdiepste vernedering, in een kribbe. Minder, armer, lager kon het niet. Maar nu het wonder om daar iets van te ervaren, dat Hij dat borgtochtelijk heeft gedaan, zoals geschreven staat: “Want wij weten, dat Hij die rijk was, arm is willen worden, opdat wij”, dat is Zijn volk, “door Zijne armoede zouden rijk worden”. Om dan eens als die herders de boodschap te krijgen waar Hij is, en dan eens in die stal te mogen blikken door het geloof. Als een verloren zondaar, nameloos arm, niets meer hebbend om voor God te bestaan, dat Kindeke te aanschouwen als de Gift des Vaders, als de geboren Koning. Wat mogen ze dan veel in Hem zien, veel door Hem ervaren, ja dan zijn de ogen wel eens zalig van het zien. Dan hebben ze geen kerstbomen nodig, wat een goddeloos feestvieren is, maar dat Kindeke om door Hem verlost te worden van al hun zonden.

Hij heeft gedacht aan Zijn genade,
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;
Dit slaan al ’s aardrijks einden gade,
Nu onze God zijn heil ons schenkt.
Juicht dan den Heer’ met blijde galmen,
Gij ganse wereld, juich van vreugd;
Zing vrolijk in verheven psalmen
Het heil, dat d’ aard in ’t rond verheugt.

Wijlen ds. J. Koster