En Jezus zweeg stil

“En Jezus zweeg stil”.

Mattheüs 26:63a

In de lijdensweken herdenken wij het lijden en sterven van Sions betalende Borg. Het lijden van Christus is reeds in het Oude Testament voorzegd door de profeten, voornamelijk door Jesaja. In het 53e hoofdstuk heeft Jesaja het lijden getekend door de Geest der profetie. In onze tekst wordt duidelijk bevestigd: ‘Als een lam is Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open’. Het Lam Gods staat midden in het Sanhedrin. Hij Die komen zal op de wolken des hemels om gericht te houden, wordt hier gericht. Het Lam Gods moet sterven. De profetie van de hogepriester: ‘Het is beter dat één mens sterve voor het volk, dan dat het gehele volk verloren ga’, zal bevestigd worden. Doch hoe moeten ze hem veroordelen? Op welke grond? Geen nood, de getuigen komen. Hun getuigenis is: ‘Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken, en in drie dagen dezelve opbouwen’. In welk verband Jezus dit gezegd heeft, weten zij niet. Daar wordt ook niet naar gevraagd. Dit getuigenis is genoeg. We zien hier het allergrievendste onrecht gepleegd. En toch moet het geschieden, naar Gods eeuwige raad. Waarom? Wel, omdat Christus leed als Borg voor Zijn uitverkorenen. Is niet het allerschandelijkst onrecht gepleegd toen wij ons aan God onttrokken en heer en meester wilden zijn? Toen we God tot een leugenaar stelden? O, snood misdrijf! Hoe heeft Adam geprobeerd zich te verontschuldigen. We hebben voorwendsels voor onze zonden. We hebben vele vonden gezocht. Wie onzer kan voor God bestaan? De Heere leert Zijn volk de diepte van de val kennen, tenminste iets ervan. Ze leren zich het Goddelijk oordeel waardig te keuren. Dan houden alle verontschuldigingen op. Dan zwijgt de zondaar in het gericht. Onze tekst zegt: ‘Doch Jezus zweeg stil’. Heftig beschuldigde men Hem. De hogepriester bezwoer Hem: ‘Zijt Gij de Christus, de Zone Gods?’ Toen heeft Hij gezegd: ‘Gij hebt het gezegd’. Bij de zwaarste beschuldigingen, bij het grievendste onrecht en bij de schandelijkste lasteringen zweeg de eeuwige Borg. Hij aanvaardde dat onrecht als Borg en Middelaar. Zijn zwijgen is een majesteitelijk spreken. Het is een sprake: ‘Dat deed Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven’. Het is een sprake dat Hij het recht Gods volkomen voldoet, en dat Hij in alles is het Lam, Dat ter slachting wordt geleid, Dat stom is voor het aangezicht van Zijn scheerders. Als de zwijgende Borg betaalt Hij de prijs voor Adams verontschuldigingen, voor Eva’s verschoningen, voor Petrus’ verloochening; ja, voor Sions aanklachten als het zegt: ‘De Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlaten’. Hoe schoon wordt Hij in deze beschreven in Psalm 38 : 13-14. De zwijgende Borg. Hij schold niet weder als Hij gescholden werd, Hij dreigde niet als Hij leed. Zie hu eens daartegenover ons aller bestaan, ons bestaan in Adam. Opstandelingen, zelfhandhavers, wraakgierigen, hatelijk zijnde en elkander hatende. We zijn boos van onze jeugd aan, zelfs het gedichtsel van ons hart is boos. We zoeken ons recht, ons vermeende recht, ten koste van alles. Wie onzer is genegen om de rechterwang toe te keren, als ons op de linkerwang geslagen wordt? En al denken we dat we het zover wel zouden kunnen brengen, het moest er maar eens op aankomen. Wat is dus nodig? Wel, herscheppende, reinigende, heiligende genade door de bediening des Heiligen Geestes. Dan houden onze verontschuldigingen en onze tegenredenen op. Dan staan we zwijgend voor onze Rechter. Wie zal dan verontschuldigingen kunnen inbrengen, tegen de zware en ware beschuldigingen der Wet? Wie tegen de aanklager, de Satan; tegen de zware aanklachten der ziel? Dan is het: Ik heb tegen de Allerhoogste Majesteit zwaarlijk gezondigd, al de geboden Gods met gedachten, woorden en werken overtreden. Dan wordt de mond gesloten. In plaats van dat volk, staat nu de Borg zwijgend tegenover al de aanklachten. Hij aanvaardde ook de smaad en de schande. Het recht moest haar loop hebben. Gods deugden moesten worden opgeluisterd. De beschuldigers moest de mond gestopt worden, door het zwijgen van de Borg. Paulus zou later uitroepen – en met hem de ganse kerk – ‘Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorene Gods?’ Kennen wij iets van die dierbare gangen van de lijdende Borg? O, welk een grondeloze en onpeilbare liefde, en dat voor verbondsbrekers en opstandelingen. Hoe nodig is het Hem te leren kennen als de enige Borg, de volkomen Zaligmaker. De grote vraag is, of wij door hartvernieuwende genade geleerd hebben te zwijgen in het gericht. Of wij aanvaard hebben: ‘Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd’. Dat is een zoet bukken onder God, en een aanvaarden van de straffen onzer ongerechtigheid. Zulk een volk leert ook een sprekend God kennen, Die in Christus vrijspreekt van schuld en straf. Hij heeft gezwegen opdat Zijn gegevenen zouden kunnen spreken van goedertierenheid en recht. Gewis, het is bang wanneer de kerk met een zwijgend God te doen heeft. De Heere zweeg ten goede voor Zijn volk. Hij zweeg, om hen ook te leren de toorn plaats te geven, om zelfverloochenend en kruisdragend hem te volgen. Hoeveel zware en valse beschuldigingen worden er niet geuit, tegen het volk dat niet van de wereld is? Dat de Heere Zijn Sion genade geve te zwijgen tegenover hun vijanden, die wreed hun ondergang zoeken. Zie op Hem, Die alles verdragen heeft, Die het kruis heeft verdragen en schande veracht. Hij is het, Die hun twistzaak twist en straks spreken zal op de jongste Dag, Zijn kerk rechtvaardigend op de wolken des hemels en Zijn vijanden veroordelend, waardoor zij verstommen zullen voor Zijn aangezicht. De Heere lere ons Hem te voet vallen eer het te laat is, want als kaf gaat de dag voorbij.

Wijlen Ds. A. Hoogerland