Gij zijt mij een Verberging

“Gij zijt mij een Verberging; gij behoedt mij voor benauwdheid; gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela”

Psalm 32:7

Dit mag de dichter, David, zingen nadat hij ondervonden heeft dat de Heere de ongerechtigheid hem niet toerekent. Zijn zonden heeft hij niet langer kunnen bedekken. Hij is door Gods Geest gebracht tot een oprechte schuldbelijdenis, waarop volgt een genadige schuldvergiffenis. Hij zegt immers: ‘Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela’. (Ps. 32:5b). We dienen, geliefde lezer en lezeres, er wel goed acht op te slaan dat de belijdenis van zonden vooraf gaat aan de vergeving van zonden. Kon Paulus doorgaan met dreiging en moord nadat God hem te sterk was geworden? Onmogelijk, de zonde wordt hem dan de dood en de gerechtigheid het leven. Kon David in de zonde blijven leven nadat de profeet Nathan tot hem gekomen was? Onmogelijk, dat bezoek was van Godswege ingegeven en deed David diep buigen onder een heilig en rechtvaardig God. Daar waar zonde zonde wordt, is het onmogelijk er in door te gaan. En zie, geliefde lezer: ‘Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.’ Op grond waarvan? Enkel op grond van de voldoening van de Heere Jezus Christus in Zijn zoen- en kruisverdienste. Een andere grond is niet mogelijk. Het overtuigende en ontdekkende werk van de Heilige Geest is een heilig werk. Het is ook een plaatsmakend werk voor de bediening van Hem, Die David hier noemen mag: ‘een Verberging’. Door het geloof schuilende in die gerechtigheid is hij, David, verborgen voor de beschuldiging van de wet. De overloop van grote wateren zal hem nu niet deren; dat is een wonder. Tot die Verberging, die Schuilplaats vluchtende als een groot en ellendig zondaar, geen bescherming waardig. ‘Doch ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm’. Genade is toch niet te begrijpen, alleen maar te bewonderen en te aanbidden. Het zich zo waardig gemaakt hebben om uitgestoten te worden voor eeuwig, en dan een verborgen plaats te krijgen bij de Heere. Hoort u de verwondering doorklinken in zijn lied en psalmgezang? Juist als bij de apostel Paulus, wanneer hij zeggen mag: ‘Mij, de grootste der zondaren, is barmhartigheid geschied.’ ‘Gij behoedt mij voor benauwdheid’. Wat is het benauwd op de wereld! En dat door de zonde. De zondeval in het paradijs heeft de mensheid gebracht in de grootste benauwdheid die maar denkbaar is, want we zijn God kwijt. Is dat niet benauwd? Wat zal het straks benauwd zijn als we buiten de Heere zullen moeten sterven. In de ware overtuiging wordt daar wat van doorleefd. Als het recht Gods ons drukt en perst. Er blijft dan geen ruimte over om te leven, en sterven kan ook niet. Wat had Israël het benauwd voor de Rode Zee. Aan elke geloofsweldaad gaat een benauwdheid vooraf. Christus is bij aan- en voortgang zo verborgen. Hoe benauwd hadden de discipelen het op zee en Hij was nog wel aan boord. Ja, maar zij hadden geen geloof. Doch er staat: ‘Gij behoedt mij voor benauwdheid.’ Ik zal er niet in omkomen. In al hun benauwdheden is Hij mede benauwd. Er wordt ook gezongen, hoor maar: ‘Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding.’ Dat is dat blijde gezang dat hun verlossing meldt. Dat is dat zingen van het volk van Israël onder aanvoering van Mirjam, Mozes’ zuster, in Exodus 15. Daarin staat ook Mozes’ lied. Farao had gezegd dat hij niet bang was van de Heere, maar hij was met al zijn ruiters verdronken. Hij was ook niet bang voor zichzelf, maar in de Rode Zee kwam zijn benauwdheid. Vrolijke gezangen van bevrijding, zijn dood was Israëls bevrijding. Ja, elk een die wat van het nieuwe leven kennen mag, zal op Gods tijd instemmen met dit vrolijke gezang. Daarin krijgt God de eer. Met het Sela zullen zij in de strijd een ogenblik mogen rusten en ademhalen, en straks nadat zij de loop voleindigd zullen hebben, een eeuwige rust binnengaan die daar overblijft voor het volk van God. Met David schuldig, maar ook met hem begenadigd. Geliefde lezer, zeg het eens, kent u iets van dat gezang, omdat u beleeft dat het waar is: ‘Gij zijt mij een Verberging’? Weet toch, als u daar wat van mag ervaren, dan moet u meezingen, al is het hier nog zo kort. Wat zal het zijn, voor straks, wanneer de dood komt om op een goede grond te mogen geloven: ‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.’

Ds. G.M. de Leeuw