Gods antwoord op Mozes gebed

 “Zie, er is een plaats bij Mij “.

Exodus 33:21

Lezers, nadat ds. L. Blok begin 1979 vertrok naar Nunspeet, brak er weer een vacante periode aan voor de ongedeelde gemeente Capelle aan den IJssel. Het was naar Gods raad dat de oom van de vertrokken predikant in de loop van 1980 de herdersstaf zou gaan opnemen in onze gemeenten. In de persoon van ds. P. Blok uit Dirksland kregen onze gemeenten haar vierde predikant. Thans is onze geliefde broeder de oudste (emeritus) predikant van onze gemeenten. Hij is de laatste maanden ernstig ziek, al is zijn toestand stabiel. De Heere gedenke hem. Van hem volgt nu een meditatie.

In het verband van de tekst, vinden wij een biddende Mozes. Wat is toch wel de oorzaak van Mozes’ gebed? Wel, het volk heeft zwaar gezondigd. Terwijl Mozes op de Horeb is en daar door de Heere onderwijs ontvangt over de verdere leiding van het volk, maakt het volk van de weldaden, die zij ontvangen hadden bij de uitleiding van Egypte, afgoden. Zij hebben een zichtbare god gemaakt naar het goeddunken van hun boos en overspelig bestaan. Wanneer Mozes de berg afkomt, hoort hij het volk zingen en even later ziet hij hen dansen om het gouden kalf. De Heere spreekt tegen Mozes, dat het volk het verdorven heeft en dat Hij hen verteren zal, omdat zij zulk een hardnekkig volk zijn. Wat is nu het antwoord van Mozes? Hij buigt voor het oordeel Gods dat heilig en rechtvaardig is. Maar, hij stelt de Heere ook voor de beloften, welke de Heere eenmaal aan Abraham, Izak en Jacob gezworen had. De Heere had toch beloofd: Ik zal ulieden zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieden zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. Op het gebed van Mozes antwoordt de Heere, dat Hij Zijn toorn niet zal uitvoeren. Het volk zal het beloofde land gaan erven, maar de Heere zal niet meer met het volk optrekken. Het wordt Mozes nu bang. Want, wat is Kanaän zonder de Heere? Wederom buigt Mozes zijn knieën voor het aangezicht des Heeren. Wij horen hem uitroepen: “Zo ik genade gevonden heb in Uwe ogen, zo laat mij nu Uwen weg weten”, Hoe duidelijk komt het openbaar dat het Mozes niet alleen om het beloofde land te doen is, maar bovenal om de Heere Zelf. Zulke gebeden zal de Heere verhoren. De Heere zal Zijn eigen werk kronen. Daarvan geeft Hij ook de bewijzen in het hart. Gelukzalig is het volk dat zulk een gebedsleven kent. Zij zullen in het licht van Gods aangezicht wandelen. Toch is er nog een zaak welke onze aandacht moet hebben. Mozes heeft van de Heere nog meer gevraagd. Hij bidt of de Heere Zijn heerlijkheid aan hem tonen wil. Is het niet een onbescheiden vraag geweest? Weet Mozes wel wat Hij bidt? Ach, de begeerte om volmaakt de Heere te kennen heeft deze woorden uit zijn hart doen uitgaan. Maar, de volle openbaring van de Heere kan een sterfelijk mens immers niet dragen. Er is zoveel, wat de Heere voor de eeuwigheid komt te bewaren. Toch wijst de Heere Mozes’ gebed niet geheel af. Hij spreekt gewis tot hen, die voor Hem leeft. De Heere zeide verder: “Er is een plaats bij Mij.” Dit wijst op vele zaken. Het wijst op de ruimte bij God. Menigmaal heeft de strijdende kerk in de waarneming van hun hart geheel geen ruimte. Dan klinkt het in het hart: “Ik ben besloten en kan niet uitkomen.” Zelf kunnen zij geen ruimte scheppen. Hoe troostvol is het dan als de Heere zegt dat er ruimte bij Hem is te vinden. In de Zoon van Gods welbehagen heeft de Heere ruimte gemaakt voor Zijn volk. Hij is het die door Zijn volmaakt offer de toorn stilde en de gemeenschap verwierf en herstelde. Door het geschonken geloof, mag nu Gods gemeente daar de vrucht van ervaren. Het wijst ook op een vaste plaats. Wanneer alle vastigheden verloren worden en wanneer wij nergens meer bij horen. Wanneer geen plaats meer is in de wereld, geen plaats bij Gods volk en geen plaats bij God. Wat wordt het dan een wonder als wij vernemen mogen: “Er is een plaats bij Mij.” Om deze plaats te bereiken heeft Christus aan het vloekhout uitgeroepen: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.” Daar heeft Hij de plaats ingenomen van Zijn gemeente, die in de waarneming van het hart zich buiten God leert kennen. Hoe dierbaar wordt dan toch de arbeid van Christus voor zulk een volk. Hoe noodzakelijk is het toch om daarvoor de ogen geopend te worden. De Heere maakt immers plaats in het hart voor Zichzelf. Zijn arbeid is gepast naar de omstandigheden waarin zij zich bevinden. Deze schuilplaats in God is zeer ruim. Er is plaats voor de grootste en de snoodste zondaar. Ook dat is onderwijs. Hoe kunnen de vragen oprijzen in de ziel als in de weg der ware ontdekking wij moeten leren de grootste der zondaren te zijn en de minste der heiligen. Dan is het toch niet vreemd dat in de zelfveroordeling de ziel het uitroept dat er voor ieder nog wel genade zal zijn, maar voor zulk een boze zondaar als zij zijn, schijnt het onmogelijk. Toch roept de Heere het toe: “Zie, er is een plaats bij mij.” Christus is met de misdadigers gerekend schreef de profeet Jesaja. Hij heeft in hun plaats de straf der zonde aanvaard en een eeuwige gerechtigheid verworven. De plaats bij God is ook een betrouwbare plaats. Alles van de aarde wankelt. Niets is bestendig beneden. Het is een bittere beleving dat ook ons hart onbetrouwbaar is. Onze vastigheden wankelen en storten in. Maar deze schuilplaats is onwankelbaar. Zou Hij het zeggen en niet doen? Spreken en niet bestendig maken? De Heere geve Zijn bestreden en zuchtende erfenis de kracht van deze waarheid te verstaan.

Ds. P. Blok