Gods onbevattelijke genade

“Welgelukzalig is hij dien Gij verkiest”. 

Psalm 65:5a

Lezers, na ds. P. Mulder, is de gemeente van Capelle aan den IJssel-Middelwatering enkele jaren (1999-2002) vacant geweest. Op 10 april 2002 deed ds. W. Silfhout intrede in de gemeente van “Elim”, nadat hij eerder die dag door ds. A. Schot was bevestigd. Zo ontving Capelle-MW in de persoon van onze broeder Silfhout haar zesde predikant. Tot zijn emeritaat op 1 juni 2016 heeft hij de gemeente in alle getrouwheid mogen dienen. Hieronder volgt een meditatie van zijn hand die gaat over Gods onbevattelijke genade. 

David bezingt in deze psalm de heerlijkheid van God in de natuur en in de genade. David heeft vele oorlogen gevoerd. De Heere heeft hem daaruit gered. Zo kunnen we lezen in de verzen 8 en 9. Diezelfde God zorgt voor vruchtbaarheid, voor regen en zon, zodat de aarde voedsel voortbrengt voor mensen en dieren. Er is verwondering in zijn hart over de Goddelijke voorzienigheid, die over alles gaat. God doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen (vers 9). David heeft echter veel meer redenen om te zingen van de verlossende daden van God in het geestelijke. Hij zingt van Gods genade in de vergeving van de zonden en ongerechtigheden (vers 4). Ongerechtige dingen hadden de overhand over de dichter en over het volk. Hij was er onder bedolven. Ze namen hem geheel in beslag. Het maakte hem het eeuwige oordeel waardig. Maar wat een wonder: Onze overtredingen, die verzoent gij. Door het geloof mocht hij zien op de verzoening, die alle zonden bedekt. Geen wonder dat hij in vers 2 zingt: De lofzang is in stilheid tot U, o God in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. Waar ligt de oorzaak dat David zo kon zingen? Die ligt alleen in het verkiezend welbehagen van God. Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest. David ziet hier in de eerste plaats op de begenadigde positie van de priesters en de Levieten, die verkoren zijn om te dienen in en rond de tabernakel en later de tempel. Maar in het licht van wat hij eerder beleed aangaande de verzoening van de zonden, blikt hij hier door het geloof in het eeuwige welbehagen van God. Alleen de verkiezende liefde is toch de oorzaak waardoor verloren zondaren verzoening vinden voor hun zonden en ongerechtigheden. Want die zonden waren er. Een stroom van ongerechtigheden had d’ overhand op hen. Daarom moest men de zegen van de Heere missen. Hij kan immers niet bij het zondige wonen. Hij kan er geen gemeenschap mee hebben. Daarom moesten er eerst offers worden gebracht. Dat ging gepaard met gebed. Een gebed dat de Heere heeft verhoord. En nu mag de dichter weten dat zijn zonden verzoend zijn. Hebben de offers, heeft het gebed dan verzoening gebracht. Heeft de priester de verzoening bewerkt? Nee, God heeft het gedaan. Verzoenen is Gods werk. Daarom mag het volk weer tot God komen en vertoeven in Zijn heiligdom. Het kan en mag, want God heeft de eerste stap gezet. Hij heeft het volk verkoren. Welgelukzalig is hij wiens zonden zijn vergeven. Hij, wiens zonden niet zijn vergeven, is niet welgelukzalig, die is rampzalig. Dat zijn we van nature allemaal. We hebben ons immers van God losgescheurd in het paradijs en Hem de rug toegekeerd. We hebben onszelf in Adam de rampzaligheid onderworpen. En er is niemand die naar God vraag of naar God zoekt. Toch zijn er mensen, zondaren als u en ik, van wie gezegd kan worden: Welgelukzalig. Hoe kan dat?  Er is maar een antwoord: Die Gij verkiest. Dat is de roemtaal van het geloof: Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen. Was er geen verkiezing, dan was er geen zaligheid. Maar naar Zijn soeverein welbehagen heeft God uit het verloren menselijk geslacht Zich een volk verkoren dat Zijn lof zal vertellen. Die verkiezing is in Christus. In Hem ligt de verdienende oorzaak van de zaligheid. Door Hem zal het welbehagen van de Vader gelukkiglijk voortgaan. Er ligt dus geen enkele verdienste in de mens, waarom bepaalde mensen welgelukzalig kunnen worden. Is dat al eens een wonder voor u/jou geworden, dat er een goddelijke verkiezing in Christus is? En dat voor mensen die om eigen schuld de dood verdiend hebben? Dat God verkoor tot het eeuwige leven? Of is het leerstuk van de verkiezing voor u/jou een aanstoot en een rots der ergernis? Erg als we zeggen: Het maakt eigenlijk niet uit hoe een mens leeft, want als je uitverkoren bent, dan kom je er toch wel en als je niet uitverkoren bent, kun je beter maar een poosje genieten van de dingen van deze wereld; straks is het voorbij. En: God kan me ook in de wereld wel bekeren. Als we zo redeneren, geliefden, dan maken we van God een willekeurig despoot en vinden we het onredelijk dat God de een verkoren heeft en de ander niet. De mens, die zich van God heeft losgemaakt en meent vrij te zijn en eigen keuzes te kunnen maken, wil zich niet laten gezeggen als het om zijn onsterfelijke ziel gaat. We ontzeggen God wat we onszelf toekennen. Wat is de mens toch dwaas. Kan de Heere als de grote Pottenbakker met het leem dan niet doen wat Hij wil? De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God en de geopenbaarde voor ons en onze kinderen. Wie God verkoren heeft, dat is voor ons verborgen, maar eeuwig wonder als we in ons leven er iets van mogen verstaan dat er zaligheid is, omdat God verkoor. Dan is de verkiezing voor ons niet een rots der ergernis, maar een poort. En nu kunnen Gods kinderen er zo mee worden aangevallen dat ze niet verkoren zijn. Dan rijzen de vragen op in het hart: Zou God wel van me afweten? Is God met me begonnen of ben ik zelf begonnen. Maar als de Heere het gordijn van Zijn eeuwige raad een ogenblik opzijschuift, dan staat ons verstand vol eerbied stil. Hoe is het mogelijk dat God, de Schepper van hemel en aarde al van eeuwigheid gedachten des vrede en niet des kwaads had over mij, arme en ellendige zondaar? En dat Hij om dat verkiezend welbehagen te vervullen Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft om plaatsbekledend te lijden en te sterven. De liefde van de Vader is zo oneindig groot. De liefde van de Zoon evenmin te peilen. En de liefde van de Heilige Geest is onbegrijpelijk. Wie zal het ooit kunnen bevatten. Deze tekst wordt ons niet voorgesteld opdat we nieuwsgierig zouden onderzoeken of we wel of niet uitverkoren zijn, maar opdat we zouden weten dat de vruchten van de verkiezing in ons leven gevonden worden. Daartoe roept de Heere immers. Daarvan spreekt ook het tweede gedeelte van vers 5, van het doen naderen tot Zijn voorhoven. Daarvan zou nog veel te zeggen zijn, maar slechts alleen dit. Het volk mocht opgaan met een heilbegerig hart naar het voorhof van waaruit de goederen van het heil voortvloeien. Daar klonk in de schaduwdienst van het Oude Testament de bediening der verzoening. Daar vloeide het bloed, dat heenwees naar het bloed van Hem, Die Zijn leven gaf op de vloekheuvel van Golgotha en dat reinigt van alle zonden. Het volk heeft honger naar het goede van Zijn huis en het heilige van Zijn paleis. Kort gezegd: Het heeft honger naar de rijkdom van de genadegoederen door Christus verworven en door Gods Geest toegepast. Dat is een van de vruchten die onze vaderen in de Dordtse Leerregels hebben genoemd, waardoor de Heere Zijn kinderen wil verzekeren van hun genadige verkiezing in Christus (DL.I.12). Zij zijn welgelukzalig. Voor eeuwig gelukkig, omdat God hen van eeuwigheid verkoor tot het leven in der eeuwigheid.

Ds. W. Silfhout.