Hebt gij MIJ lief?

“Hebt gij MIJ lief?”

Johannes 21 : 17

Ik zou u allemaal willen vragen – geef eens antwoord, misschien is het morgen al te laat -: Hebt gij de Heere lief? Dat mag ik toch wel vragen? Zeg nu eens ja of nee. Misschien zijn er wel die zeggen: ‘Nou nee, ik moet eerlijk zijn, ik moet er voor uitkomen dat ik onbekeerd ben.’ Daar stellen ze een soort voorrecht in. Zo zijn er velen die achten het een voorrecht dat ze er zo helder voor uitkomen. Je moet van mij niets goeds denken, want ik ben een onbekeerde jongen of een onbekeerde vrouw, dat weet ik goed en daar hoef je niet over te praten, daar kom ik rond voor uit. Nu, dat is ook een soort eerlijkheid. Denk er eens over na wat dat betekent. Onbekeerd leven en straks onbekeerd sterven.

Hebt gij de Heere niet lief? Maar waarom dan niet? Heeft de Heere u reden gegeven Hem te haten? We zijn van nature geneigd God te haten, u en ik. Wéét u niet, dat u geneigd bent God en uw naaste te haten? Gelooft u dat eigenlijk niet? Denkt u dat u nog wel een beetje van de Heere houdt soms? Nu, dan hoop ik dat de Heere, voor het te laat is, die Geest, Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, in uw hart zendt. Dat ge uzelf maar recht en grondig moogt leren kennen. Wat voor reden hebt u om de Heere te haten? Als de Heere Jezus lokt en nodigt en zegt: ‘Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt: waarom doet u dat dan niet? Omdat u niet vermoeid en belast bent natuurlijk. Omdat u het nog best buiten Hem houden kunt. Omdat u weigert zondaar te zijn. Wilt u dat nu eens onthouden? Weet u wat uw ziekte is, onbekeerde toehoorder? Dat u geen zondaar wilt zijn. Dat u een zondaar bént, een grote zondaar misschien, een oude verstokte zondaar, dat is helemaal niet erg, maar dat u het niet zijn wilt, dat is uw ondergang. Want God sluit in Zijn eeuwige barmhartigheid in de rijkdom van Zijn genade de grootste der zondaren niet uit, dus ook u niet, niet één. Maar u sluit uzelf uit. “Alleenlijk ken uw ongerechtigheid, dat u tegen de Heere uw God hebt overtreden”. En als u zegt: “Ja, ik ben een trouwe kerkganger en er valt op mijn leven niets aan te merken en er zijn er genoeg slechter dan ik. Dan moet u die goddeloze wereld eens zien! U moet eens weten hoeveel goeds ik doe”. Ja, dat deed die rijke jongeling ook en dat deden de dwaze maagden ook en dat deed die lieve Orpa ook, met haar tranen. Allemaal lieve mensen. Ze bedoelen het goed en er is niets op aan te merken, maar ze gingen voor eeuwig verloren. ”Alleenlijk ken uw ongerechtigheid”. Ik hoop dat God u genade geeft om vandaag nog zondaar voor God te worden. Wat zal dat meevallen. Dat valt zo eeuwig mee. Dat is de weg waarin God de uitnemende weldaden van Zijn eeuwig verbond gaat verheerlijken. Hoe diep moet dat dan gaan? Zondaar worden! Ik ben wel eens benauwd geweest, zegt er een, of ik heb wel eens aan de poort van de dood gelegen dat het zweet op mijn aangezicht kwam. Och, dat betekent allemaal niets. Hoe diep moet een zondaar overtuigd worden zal het zaligmakend zijn? Zo diep, dat hij tot Jezus vlucht. Er zijn er velen met vreselijke overtuigingen. Ezau, Achab, Judas en ze zijn allemaal verloren gegaan. Ezau zocht zelfs de plaats des berouws met tranen, maar heeft die niet gevonden. Hoe diep moet een zondaar ontdekt en overtuigd zijn zal het zaligmakend zijn? Tot hij tot Jezus vlucht. Daar ligt het begin! Daar ligt de waarachtigheid van het leven dat uit God zich openbaart, dat ze tot Jezus vluchten. Ik zeg niet dat ze Jezus omhelzen, maar dat ze tot Jezus vluchten. Wanneer een zondaar tot Jezus vlucht dan weet hij dat hij dat doet. En hoe doet hij dat dan? Dat doet hij op grond van dat eeuwig Evangelie. Dat lokt zijn hart. Hij aanvaardt het dat buiten Jezus geen zaligheid is. Hoe wordt die Jezus dan ook mijn Jezus? Zone Davids, wilt U Zich ook eens aan mij openbaren? Daar hebt u de arme tobbers. Daar hebt u de eenvoudigen die God wil gadeslaan. Daar hebt u de van verre staanden, de bedroefden over hun schuld. Daar hebt u hen die God missen, daar hebt u hen die over de wereld gaan met een heimwee en ze weten niet wat er aan schort. Daar hebt u hen die met een gebroken gemoed hun eten laten staan vanwege de smart over de zonden en dat ze geen deel hebben aan God en de verbonden der belofte. Die uitzien als wachters naar de morgen. Daar hebt u hen, die zeggen: ‘Heere, zo Gij de ongerechtigheid gadeslaat, wie zal bestaan? Maar neen, daar is vergeving; volk van God – want zo mag ik u toch noemen, ‘t is toch waar. Ga maar door en worstel maar en schreeuw net zo lang, totdat de Heere komt en zegt:

Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven. Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet! Nooit zal Hij zijn gevangenen begeven.

Wijlen ds. J.W. Kersten