Jona gaat overboord

“En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee.”

Jona 1:15a

De diepblauwe hemel boven de Middellandse Zee is loodgrijs geworden; het anders zo heldere water kleurt inktzwart. De wind fluit door de touwen, de zeilen zijn gereefd. Het schip kraakt. De zeelieden kunnen zich maar met moeite staande houden. Ze roepen elk tot hun God. Beneden in het ruim ligt de profeet Jona te slapen. Hij heeft nergens last van, terwijl het rechtvaardige oordeel Gods hém betreft!  Want ‘de HEERE wierp een grote wind op de zee’ (vs. 4). De HEERE komt Jona tégen in zijn poging om van Gods aangezicht weg te vluchten en Hem uit de vingers te blijven. Jona is immers op de vlucht naar Tarsis. Hij wil niet wat God wil, Die gezegd had: ‘Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé, en predik tegen haar’ (vs.2). De heidense opperschipper moet Jona wekken en opwekken: ‘Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uw God, misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan’. (vs. 6). Als Jona dan door het lot is aangewezen, zegt hij: ‘ik ben een Hebreeër; en ik vreze de God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft.’  Wat een geloofsbelijdenis! Jona zegt als het ware: ‘Mijn God staat overal boven; alles ligt in Zijn handen, ook deze storm’. Er breekt iets in de ziel van de ongehoorzame Jona. Hij belijdt én eigent onvoorwaardelijk zijn schuld: ‘Neem mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet, dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.’ (vs.12). Jona valt aan Gods kant en buigt onder Gods heiligheid en rechtvaardigheid. Kent u dat plekje in uw leven? Dat u buigen ging onder de straffen van uw ongerechtigheid? Dat u het vonnis van God ging ondertekenen? Wat een gezegende gang in het geestelijke leven is dat: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Jona maakt geen voorbehoud. Hij is onwaardig en rechteloos, God kan het niet meer verkeerd doen. Hij moet overboord. Hij zal verdwijnen in die woedende wateren, in die kolkende zee. Dan zal de zee pas tot rust komen. En dáár gaat Jona… Maar in dat ‘doodlijkst tijdsgewricht’ heeft de HEERE Jona opgevangen en bij vernieuwing ingewonnen voor Zijn liefdedienst. De HEERE leert Zijn kind en knecht een wonderschoon gebed bidden uit de diepte (Jona 2), dat uitloopt op de hartelijk uitroep: ‘Het heil is des HEEREN!’ (Jona 2:9). Jona, zó kennen we u weer: ‘Het heil, de verlossing komt van God. En van Hem alleen!’ Nu heeft u weer iets te preken! Deze jubel (‘Het heil is des HEEREN!’) wordt uitgezongen door elk kind van God dat hartelijk leerde buigen onder Gods rechtvaardige eis: ‘Zijt heilig, want Ik ben heilig’ en die zichzelf moest aanklagen vanwege zijn volkomen onheiligheid en ongehoorzaamheid. In die weg wordt het omkomen, maar waar wij gaan verdwijnen, gaat Christus verschijnen. Hij is de grote Heiland, Hij is ‘het Heil des HEEREN’! Jezus Christus, Gods Zoon, Verlosser, in het Grieks samen te vatten in het acronym ICHTHUS (‘vis’). En zoals Jona hier ongedacht en onverwacht in het leven behouden wordt door de grote vis die hem opvangt, zo is het met elk kind van God dat het rechtvaardig vonnis van God mag aanvaarden. Achter de dood ligt het leven. Het heil komt niet van ons, maar ‘het heil is des HEEREN.’ Ja de verlossing komt van de andere kant. Wat een les. De godsdienstige mens blijft altijd maar overeind. Hij houdt zichzelf op de been met gestalten, uitreddingen en conclusies, maar is nooit eens overboord gegaan. Bekommerde ziel, kunt u Jezus maar niet vinden? U zit nog wat te hoog. Want Jezus wordt gevonden in de diepte. Smeek of de Heere u Zijn Heil wil schenken! Kan dat dan voor zo’n ellendige? Ja, want ‘het heil is des HEEREN!’ En daarom is er behoud! Zelfs voor dienstweigeraars, ongehoorzamen, weglopers: voor de grootste der zondaren. ‘Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen’. (Rom. 11:36).

ds. H.A. van Zetten