Kerkhervorming

 “Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u”.

Openbaring 3:3

Lezers, in 1986 werd de gemeente opnieuw vacant toen ds. P. Blok vertrok naar Kootwijkerbroek. Reeds in zijn tijd, maar ook daarna kwam de splitsing van “Elim” en “West” meer dan eens aan de orde. Medio 1988 werd er reeds afzonderlijk beroepen en per 1 januari 1992 was de splitsing officieel een feit. “Elim” kreeg in de persoon van kandidaat P. Mulder in september 1991 weer een eigen predikant. Hij diende de gemeente tot 1999. Toen vertrok hij naar Dordrecht. De gemeente van “West” bleef vacant. Vanaf 1996 verrichtte ds. A. Moerkerken daar hulpdiensten op de zondagen, naast zijn belangrijke taak als fulltime docent aan onze Theologische school. In volgorde is er nu een mediatie aan de beurt van ds. P. Mulder. Van hem kon ik echter geen meditatie vinden, passend bij Hervormingsdag. Vandaar dat we nu eerst een meditatie, passend rond Hervormingsdag, plaatsen van ds. A. Moerkerken. Volgende keer een meditatie van ds. P Mulder die staat in het teken van de dankdag.

Gedenk dan! Er is een zonde, waaraan wij doorgaans weinig aandacht besteden, maar die de Heere blijkens Zijn Woord zeer ernstig neemt. Het is de zonde van het vergeten. Wij lezen in Deuteronomium 4:9: “Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben”. In Psalm 103:1 zingt de dichter: “Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden”. Hosea klaagt in zijn profetie, dat Israël zijn Maker vergeten heeft. Nu wij weer leven in de dagen rond 31 oktober, is het goed, niet te vergeten wat de Heere ons in de gezegende Kerkhervorming schonk. Ook voor onze jonge mensen is dit nodig, opdat “het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden, en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen, en dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten…” (Psalm 78). Het woord dat wij heden overdenken is een woord van de verhoogde Middelaar tot de gemeente van Sardis. De leraar en de gemeente van Sardis stonden wijd en zijd goed bekend. Afwijkingen in de leer kwamen er niet voor, zoals dat bijvoorbeeld wél het geval was in Pergamus. Sardis stond bekend als een rechtzinnige, bloeiende gemeente waarin nog geestelijk leven was en waar geen dwalingen werden geduld. Hoe ontzettend is echter het oordeel, dat de alwetende Middelaar, Die de zeven geesten Gods heeft, over deze gemeente en over haar leraar velt. “Ik weet uwe werken, dat gij de naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood!” Hij, Die door alle schijn en vorm heen ziet, doorgrondt het hart van deze zo goed bekend staande leraar en peilt de geestelijke inhoud van de gemeente van Sardis. Tweemaal in de geschiedenis van Sardis was deze stad overvallen door haar vijanden en ingenomen, omdat de wacht, die de stadspoorten moest bewaken, niet goed had opgelet. Hierop zinspelend vermaant Christus: “Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat uur Ik over u komen zal”. In dit verband staat ook de oproep des Heeren: “Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt…” De Heere wil zeggen: leraar en gemeente van Sardis, gij hebt toch in het verleden zulke andere tijden gekend dan de dorre en dodige tijd, waarin gij nu leeft! Weet ge nog, hoe ge het Woord Gods gehoord hebt, toen het voor de eerste maal gebracht werd door Mijn knechten? Was het u toen niet als Lydia, van wie geschreven staat, dat zij hoorde? Was het toen niet met u als in Johannes 5:25, waar wij lezen dat de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven? De verhoogde Middelaar zegt niet alleen, dat Zijn gemeente in Sardis Zijn Woord gehoord heeft, maar ook, dat zij het ontvangen heeft. Met blijdschap, in het allerheiligst geloof mocht de boodschap des levens eenmaal te Sardis worden omhelsd. Naar het woord van de apostel Jakobus hadden zij met zachtmoedigheid het Woord ontvangen, dat in hen geplant werd, hetwelk hun zielen kon zaligmaken. Gedenk, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt! Christus wil zeggen: hoe anders was het toen met u dan nu! Toen een horen, gepaard gaande met geloof; een ontvangen met zachtmoedigheid. Nu wél de uiterlijke schijn, wel een rechtzinnige prediking, wel de gedaante van de godzaligheid, maar gij zijt dood. Toch is het opmerkelijk, lezers, dat Christus deze leraar en deze gemeente niet van Zich stoot. Hoe ontzettend het oordeel ook is, dat Hij over hen uit moet spreken. Hij wijst ook het medicijn ter genezing aan. Een opmerkelijk medicijn: Gedenk toch! En: Bekeer u! Christus wil zeggen, dat een gedenken alléén niet voldoende is. Het ware gedenken zal leiden tot waarachtige bekering. Laat het ons voor ogen mogen staan, in deze dagen, waarin overal weer vele herdenkingssamenkomsten worden gehouden. Er is zoveel onvruchtbaar gedenken. Wij horen op een Hervormingsdag graag over Luther en zijn zielenstrijd, over Calvijn en zijn Genève. Maar waar brengt het ons? Het is goed, dat wij gedenken, hoe het Woord Gods in ons vaderland en werelddeel eenmaal is ontvangen en gehoord. Met welk een honger, met welk een dorst werd in de tijd der hervorming Gods Woord gegeten en gedronken! Voor vele duizenden preekten vaak eenvoudige hagepredikers uren lang het Woord in de open lucht. Een der eerste hagepreken werd voor een talrijk gehoor gehouden onder de rook van Amsterdam. Wij kunnen het ons nauwelijks meer voorstellen. Als een stormwind verbreidde zich de leer der hervorming door Europa. Luthers Bijbelvertaling, Calvijns Institutie, de Heidelbergse Catechismus, het waren mokerslagen die het vermolmde gebouw van de Roomse Kerk op haar fundamenten deden schudden. Hoe is het ontvangen en gehoord! Zó, dat duizenden om dit Woord en met dit Woord de folteringen van de inquisitie hebben verdragen en de vuurdood zijn ingegaan. Gedenk dan! En hoe is het nu? O zeker, er is nog rechtzinnige prediking in ons vaderland. Dat is op zichzelf groot te achten. Ik zag eens in een ander land een bord op de deur van een protestantse kerk, waarop stond aangekondigd dat eenmaal in de zes weken één dienst op zondag gehouden werd. Daarop ziende, hebben wij nog veel voorrechten. De kandelaar is nog niet weggenomen. Maar hoe staat het er met ons van binnen voor? Wie zijn wij in Gods oog? Is het niet te vrezen, dat het ontzag’lijk oordeel van de verhoogde Middelaar ook van toepassing is op velen onzer: Gij hebt de naam dat gij leeft, en gij zijt dood? Al zijn er zeker in ons vaderland nog enige weinige namen, die hun klederen niet bevlekt hebben, als wij waarlijk mogen gaan gedenken zal schaamrood ons aangezicht moeten bedekken. Geldt het ook, kinderen des Heeren, niet van velen uwer, dat het vroeger beter was dan nu? Is de eerste liefde niet verlaten? Weet ge nog met hoeveel liefde, ootmoed, vernedering en teerheid gij eens het Woord Gods ontvangen en gehoord hebt, toen God u voor het eerst te sterk werd? En hoe is het nu? Gedenk dan, en bekeer u! En bewaar het. Tussen de vermaning om te gedenken en de oproep tot bekering waarschuwt de verhoogde Christus Zijn erfdeel in Sardis, hetgeen zij hebben ontvangen en gehoord, te bewaren. Nu kunnen wij op verschillende wijze iets bewaren. Een herinnering aan onze gestorven ouders, die ons dierbaar is, bewaren wij zorgvuldig in een lade of kast. Zulk een bewaren wordt hier echter, gezien het oorspronkelijke woord, niet bedoeld. Het grondwoord wijst op een bewaren, bewaken, ja, verdedigen van een aangevochten goed! Dit woord van de verhoogde Middelaar is zeker op Hervormingsdag onze aandacht dubbel waardig. Wat wordt het erfgoed der hervorming immers aangevochten, bestreden! Het Remonstrantisme, in 1619 door de voordeur naar buiten geworpen, sluipt door de achterdeur weer binnen. De volstrekte soevereiniteit Gods, vooral door Calvijn zo krachtig beleden, is velen een ergernis. De doodstaat des mensen, door Luther zo scherp geleerd in zijn boek over de knechtelijke wil tegenover Erasmus, wordt veelal verdoezeld of verloochend. De persoonlijke voldoening door Christus voor Zijn uitverkorenen en voor hen alleen, zo helder in onze Dordtse Leerregels verdedigd, wordt in vele bewegingen, die zich als “evangelisch” aandienen, verwaterd tot de leer der algemene verzoening. Daarom: bewaar het! Schenke de Heere Zelf ons dit ware gedenken, gepaard met diepe verootmoediging; dit standvastige bewaren van het ons toebetrouwde pand; bovenal die waarachtige bekering, die ons met hartelijk belijden van onze schuld doet buigen aan de voeten Gods.

A. Moerkerken