Loof den Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden

Loof den Heere, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden

Psalm 103:2

Noemen we het Hooglied van Salomo ‘het lied der liederen’, zo mogen we deze psalm van David wel ‘de lofzang der lofzangen’ noemen. Er is geen psalm van David te noemen waarin de lof des Heeren zo hoog klimt dan in dit lied. Hierin mag David opklimmen tot de hoogten van het genadeleven. Hij opent deze psalm met: Loof de HEERE, en hij besluit met: Loof de HEERE. En wat is dan de oorzaak tot Gods lof in Davids leven? Wel, de Heere heeft weldaden in zijn leven verheerlijkt. Hij heeft weldaden ontvangen in de verborgen omgangen met God. Deze weldaden vloeien uit het genadeverbond. Daarvan zegt hij in psalm 25: “De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen; en Zijn verbond om hun die bekend te maken”. En die vreze Gods in Davids leven bedoelt nu God te verheerlijken. “Loof de HEERE, mijn ziel!”. Het is dus als het ware een zelfgesprek dat we beluisteren in deze lofzang. David spreekt hier tot zijn ziel. De Heere heeft hem welgedaan. Hij is opgericht uit een grote krankheid. Ja, zelfs doodsgevaar dreigde, maar de banden zijn gebroken. In zijn hart juicht het van verwondering en vreugde. Immers de ongerechtigheden zijn vergeven en zijn leven is verlost van het verderf. Hij mag gekroond zijn met goedertierenheden en barmhartigheden. Zijn dat geen genadeweldaden? David zegt tot zijn ziel: Loof de HEERE!. En wat gaat er dan gebeuren in zijn leven? Wel, hij mag weer beantwoorden aan het doel van God in Zijn schepping: God loven!. De weldaden van God in het leven zijn het waard om nooit vergeten te worden. Daarom wekt David zichzelf op, om de Heere in alles en voor alles te erkennen en te danken. Wat is zo’n opwekking en aansporing nodig in het leven! Wat zijn we meestal druk met de dingen van dit leven of met andere mensen, zodat we onszelf vergeten en verwaarlozen. Er is geen groter ondankbaarheid dan te vergeten wat we aan God verschuldigd zijn. Overlaadt Hij ons niet van dag tot dag met Zijn gunstbewijzen? Wat zijn we van nature ellendige zelfbedoelers! Egoïstisch is ons bestaan in dit voorbijvliegende leven, waarin de Heere ons omringt met Zijn weldaden. Zeker, met de lippen wordt er nog wel gedankt. Maar waarlijk danken, innig danken, God verheerlijkend danken, nee, dat wordt in ons natuurlijk bestaan niet gevonden. Dan zijn wij gelijk aan het volk van Israël: Zij zongen Zijn lof, doch zij vergaten haastig Zijn werken. Is dat geen ernstige zonde en groot tekort in ons leven, waardoor God wordt onteerd? Zie hier in de tekst een kind van God zijn ziel opwekken om met een lofoffer vanuit het hart tot God te naderen. En daarin is hij afhankelijk van de bediening van Gods Geest. Die alleen dat offer maar ontsteken kan in het hart. Opmerkelijk is het dat hij zijn ziel aanspreekt, het levenscentrum van al zijn geestelijke vermogens. En hierin spreekt David als voor het Aangezicht van God, want het is als het ware een bestraffing van zijn eigen traagheid, aldus Calvijn. En – zo vervolgt hij – hij maakt er ons opmerkzaam op, dat het niet aan God ligt wanneer wij geen ruime stof hebben om Hem te loven, maar dat het onze eigen ondankbaarheid is die ons in de weg staat. Dat we ons toch met David over mochten geven, gewillig gemaakt door Gods Geest, tot de overdenking die gericht is op Gods lof. “Loof de HEERE, mijn ziel! en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam”. En opnieuw: “Loof de HEERE! en vergeet geen van Zijn weldaden”. O kinderen van God, is er geen reden voor? Kunt u ze tellen, al die zegeningen en weldaden waarmee de Heere u omringt? Want dat is toch waar, dat er niemand méér bevoorrecht is dan een kind van God. Alleen Gods kinderen mogen toch in het bijzonder proeven en smaken dat de Heere goedertieren is. En als de Heere er de ogen voor ontsluit dan kunnen ze niet anders dan God loven. “Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden”. Dit te mogen beleven zijn toch weldaden? Ja het zijn onverdiende, gans verbeurde genadeweldaden die de Heere Zijn kinderen schenkt. Genadeweldaden, die telkens weer verzoenen, verzorgen en vernieuwen. En des te meer weldaden, des te kleiner dat we worden. Uit het stof wordt Gods lof geboren. Dan zegt Jacob: “Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt”. Geliefde lezer, kennen we deze gestalte? Dat wegzinken in verwondering, aanbidding en dankzegging? Die heerlijke belijdenis: “hoe dierbaar zijn m’ uw wonderdaân! Zij zijn onmoog’lijk na te gaan?” Of is dat alles ons onbekend en vreemd? Wat zijn we dan nog ongelukkig en arm! O, smeek toch de Heere nu het nog kan: “Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen”. En, Kerk des Heeren, wat u hier in beginsel doen mag, namelijk God loven, dat wordt straks eeuwigheidswerk. Dan hoeft u daar uw ziel nooit meer toe op te wekken, want dan is het een heilige en volmaakt vanzelfsheid. “Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij ’t hebt gedaan”.

Ds. J.J. Tanis.