Mijn genade is u genoeg

“Mijn genade is u genoeg”

2 Kor. 12 : 9a

Het begin van een nieuw jaar doet ons altijd beseffen hoe ongewis de toekomst is. Wij weten immers niet wat dit jaar ons brengen zal. Het oude werd afgesloten. De balans van verlies en winst mocht worden opgemaakt. Voor sommigen was het een jaar, waarin smartelijke ondervindingen moesten worden doorleefd; voor anderen was het vol van soms zeer verrassende blijde gebeurtenis­sen. Wat kan de herinnering aan het ene ons diep bedroeven; hoe kan de herinnering aan het andere ons doen verwonderen. Maar nu ligt een nieuw jaar voor ons. Wat zal het ons brengen? Verdriet of vreugde? Leven of dood? Gezondheid of ziekte? Niemand, die ons een antwoord geven kan. Maar mogen wij ons wel met dit soort overwegingen bezighouden? Is dit niet vaak een zondig pogen om ons enige zekerheid over de zo onzekere toekomst te verschaffen? Ongetwijfeld! De Schrift leert ons een andere weg in te slaan. Een weg, waarnaar onze tekst ons wijst. Paulus werd gekweld door een ons onbekend kruis; hij noemt dat kruis: een scherpe doorn in het vlees; namelijk een engel des satans. Er is al veel gegist naar de aard van deze stekende doorn. Een pijnlijk gezwel? Een hinderlijk gebrek? Een boze benauwing? Een satanische lastering? In elk geval is er verband tussen die stekende doorn en die engel des satans. De vorst der duisternis weet immers dikwijls van omstandigheden misbruik te maken om felle aanvallen op Gods Woord en werk te ontketenen en dit verdacht te maken. Daardoor poogt hij twijfel te zaaien, ongeloof aan te wakkeren, wanhoop op te roepen en tenslotte in een totale vertwijfeling te doen geraken. De duivel heeft zo ook gepoogd Paulus te bedriegen, zo schrijft Calvijn in dit verband. Een bittere kwelling doorleefde hij. Driemaal heeft hij de Heere gebeden; dat wil zeggen: bij herhaling en dikwijls. Hij heeft gepoogd dit kwaad af te bidden. Maar de Heere heeft hem hiervan niet verlost. Deze was nodig en nuttig voor Paulus. En ziet, nu laat God de duivel toe om Paulus met vuisten te slaan. Gebruikte God de duivel? Calvijn schrijft zo treffend: “Maar wat is dit, dat de duivel Paulus’ medicijnmeester was, en dat niet alleen in het lichaam te genezen, maar wat meer is, in de ziel te genezen? Ik antwoord, dat de duivel naar zijn aard en gewoonte niet anders voorgenomen heeft, dan om te doden en te verderven, en dat de prikkel, die Paulus meldt, met dodelijk venijn is bestreken geweest, maar dat dit een bijzondere weldaad des Heeren is geweest, dat Hij wat dodelijk was, in medicijn heeft veranderd.” O wijsheid Gods, o liefde Gods, zelfs in het zo bitter doorleefde. Het Paulus verhoren op de wijze zoals Paulus gevraagd had, strookte niet met de raad van de liefde, die over hem ging. God zal zeker horen en verhoren, maar op Zijn wijze. Paulus had de doorn nodig tot zijn godzaligheid, maar de Heere heeft hem gezegd: Mijn genade is u genoeg. Hierin bied Ik u, zo is Gods antwoord aan Paulus, een voortreffelijke steun en onwankelbare toeverlaat. Genade is beschikbaar om op te steunen en daardoor geholpen, het kruis te verdragen; ja, het zelfs nuttig en goed te keuren en zo de Heere te volgen. Paulus beschrijft deze bijzondere weg in zijn leven tot onze onderwijzing. In Gods Woord wordt dikwijls gesproken en geschreven over wat de heiligen doorleefd hebben. En die overleveringen zijn door de Heilige Geest nuttig tot onze lering. Zo ook deze. We kunnen met veel stekende doornen gekweld worden. Misschien is de onzekerheid zelf ons tot zo’n doorn. Maar hier laat God prediken, dat er bij Hem genade en hulp te vinden is. Dat is een zekerheid. Er is een zeer overvloedige fontein van genade. Die genade laat God prediken: Genade om getroost te leven; genade om zalig te sterven. Ook bij het begin van het nieuwe jaar treedt de Heere ons met deze prediking van de genade tegemoet en verzekert ons van het feit, dat deze bij Hem te vinden en om niet te verkrijgen is. Wees om die genade verlegen. Bid de Heere om genade, waardoor u de u geboden genade op prijs gaat stellen. Dan zult u alle toevluchten elders verlaten om bij Hem alleen een schuilplaats te vinden. Daarom werpt God ons menigmaal neer, om ons in Zijn genade op te richten; Hij breekt menigmaal af, om ons in Zijn gunst alleen ons te doen verlustigen. Die genade is genoeg. Dat wil zeggen: genoegzaam. Dan komt u niets te kort. Dan weet God te voorzien in uw noden. Hij wil u daardoor tot ootmoed brengen; tot vernedering; tot armoede; maar Hij doet dat om u te meer te verhogen. Hij wil Zijn kracht in uw zwakheid volbrengen. Die kracht van de Heere is de kracht, waarmee Hij mensen in hun armoede te hulp komt; daardoor wil Hij de bezwijkenden vernieu­wen en de gevallenen oprichten.

Wijlen ds. A. Vergunst