Ootmoedige verwondering op dankdag

“Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw  knecht gedaan hebt.”

Genesis 32:10a

Lezers, sinds 1 januari 1992 zijn Middelwatering en West twee afzonderlijke gemeentes geworden. West is altijd vacant gebleven, maar mocht vanaf 1996, ds. A. Moerkerken op zondag in hun midden hebben. Van hem stond een meditatie in de laatste kerkbode. Middelwatering  heeft sinds haar zelfstandig bestaan drie predikanten mogen ontvangen. Ds. P. Mulder (1991-1999), ds. W. Silfhout (2002-2016) en sinds 26 oktober 2017, ds. A. Verschuure. Van hen alle drie volgt in deze en in de komende twee kerkbodes een mediatie. Ditmaal van ds. P. Mulder. Omdat de kerkbode verschijnt in de week van de dankdag, hebben we van onze broeder een meditatie opgenomen die staat in het teken van dankdag.

Dankdag houden. Er is alle reden voor. Jakob – hij is het die spreekt in onze tekst – noemt als redenen weldadigheden en trouw die de Heere aan hem gedaan heeft. Daarin mogen we hem wel bijvallen. De Heere heeft ons met weldadigheden overladen. Wie van ons kan zeggen dat hij gebrek aan brood gehad heeft? Hadden we niet allen kleding genoeg? En een dak boven ons hoofd? De apostel Paulus wijst erop dat als we voedsel en deksel hebben, we dan vergenoegd, tevreden hebben te zijn. Dat is een gedachte die ons tot bezinning roept. Temeer wanneer we bedenken dat anderen op deze wereld aan levensbehoeften wel gebrek hadden. Wat onderscheidt ons? Tevredenheid is een schaars artikel in onze tijd. Er is een jacht naar meer. In het materiële; op het terrein van zien en beleven. Opvallend is dat de onverzadigbare honger naar meer zich zo richt op hier en nu. Ook bij ons kerkmensen. Bij wie is er dorst naar (meer aangaande) de eeuwige dingen? De dichter zei: mijn ziel dorst naar de levende God. Kennen we daar iets van? Dat nu werkt ‘s Heeren Geest. Dankdagredenen zijn er inderdaad te over. Het is goed rond dankdagtijd de ontvangen weldaden eens voor onszelf op te sommen. Als we eerlijk zijn, zal de lijst niet kort zijn. Nu is het ook gevaarlijk werk, dat te doen. Zomaar gaat de wortel, die zo onuitroeibaar in onze zondige natuur zit om er groot of zelfvoldaan mee te worden, groeien. En het tegendeel moest gebeuren: we moesten er klein bij worden. Jakob achtte zichzelf geringer dan al die weldadigheden. Dat is een goede plaats: geringer zijn in eigen oog dan wat je krijgt, en dat voor het aangezicht van de grote Gever. Jakob had inderdaad veel ontvangen. Een groot gezin; veel bezittingen. Welvaren was zijn deel. Als hij terugkijkt naar 20 jaar geleden, dan is de tegenstelling wel erg groot. Toen bezat hij alleen een staf. Nu twee legers. Kijken wij ook eens terug op dit jaarseizoen. Zijn wij niet beweldadigd in ons gezin en in ons werk, in ons persoonlijk leven en in onze studie? Mogelijk zegt iemand dat er voor hem of haar toch ook, of misschien wel vooral, een andere kant is. Tegenslag op het werk, op school. Ziekte, zorgen, rouw, verdriet. Een kruis dat blijft; moeite die niet overgegaan is. Zou Jakob daar ook niet van geweten hebben? Rond zijn werk en de beloning daarvan waren er grote spanningen. Ze vormden zelfs in menselijk vlak de directe aanleiding tot zijn vertrek. En de verhoudingen in zijn gezin waren niet altijd zo best. Eerlijkheid wijst aan dat daar de zonde in doorwerkte. Zelfs met gods-

dienstige elementen vermengd. Toch staat hij stil bij ontvangen weldadigheden. Misschien zegt u, denk jij: hoe zou ik dat kunnen bij zoveel zorgen? Mogelijk moet u, jij er eerlijk aan toevoegen: en met zoveel zonden. Bij anderen en eigenlijk, vooral ook bij onszelf. Jakob komt met de weldaden in de ootmoed terecht. Ik ben geringer. Ik heb ze niet verdiend; wel verzondigd. Hij is ze onwaardig geworden in eigen oog. De tegenstelling is niet: Jakob – weldaden. Het ligt dieper. Het is wezenlijker. De tegenstelling is: Jakob – Gij. Jakob mag zich plaatsen voor het aangezicht des Heeren. Met alle weldaden die juist de Heere aan hem bewees. En voor het aangezicht des Heeren wordt hij zo klein. Een zondig mens is hij. Een man die zijn broer had willen beroven en zijn vader had bedrogen. Zelfs had hij Gods belofte willen stelen. Verzondigd zijn de weldaden en de trouw. Wat een schuld voor God. En al deze trouw. Ja, daarover spreekt hij ook. Dat de Heere hem beveiligd en beweldadigd heeft, is enkel te danken aan de trouw van de Heere. Dat had Jakob niet verdiend. Vroeger vertrouwde hij op zijn list en misschien ook wel op zijn moeder en hetgeen zij hem verteld had. Nu is hij de trouw Gods niet meer waard. Nu is hij geringer dan al deze trouw. Want de Heere is trouw geweest. Waaraan moeten we bij deze trouw denken? De Heere was trouw tegenover Jakob vanwege Zijn eigen belofte. Bij Bethel heeft de Heere Jakob Zijn beloften gegeven. Wel vier zelfs. De voornaamste was de Messiaanse belofte. Verder gaf de Heere hem de landbelofte. En de belofte van de kinderzegen. In deze overdenking moeten we vooral op de vierde belofte letten: de Heere beloofde hem te bewaren, met hem te zijn en hem weer terug te zullen brengen. Dat beloofde de Heere hem ten dage zijner benauwdheid. Toen hij niets meer over had en moest vluchten. En aan die belofte bleef de Heere trouw. Dat mag Jakob overdenken. Dat maakt hem klein voor de grote God, voor de Bron van alle goed en trouw. Ik ben geringer, belijdt hij. Daar heb ik het niet naar gemaakt. Nee, zo zegt Jakob het niet. Het gaat niet (alleen) over zijn gedrag, maar het gaat over hemzelf, over wie hij is voor de Heere, over zijn staat. Ik ben geringer zegt hij. Later in dit hoofdstuk lezen we dat de Heere op dit punt gaat doortrekken. Dan moet Jakob zijn bedriegersbestaan voor God blootleggen en gaat de Heere hem een andere naam geven. Dan mag hij uit ‘s Heeren mond horen dat hij in een wezenlijk andere staat, andere verhouding tot de Heere gesteld is. De verootmoediging bij Jakob is er vanwege de weldaden en de trouw die de Heere aan hem heeft gedaan. En wij? Moeten wij niet ook op Gods trouw letten rond dankdag? Want waaraan is het te danken dat de aarde nog staat en ook dit jaar het leven door kon gaan? Is dat aan de mensheid te danken? Aan techniek en wetenschap? Aan reinheid van leven en oprechtheid van hart bij de mensen? Bij ons kerkmensen? Integendeel. Ons leven en ons hart, ons bestaan maakt ons alle weldadigheid en trouw onwaardig. Dat geldt de mensheid en ons volk in het algemeen; dat geldt ons kerkmensen in het bijzonder. En Gods kinderen? Hoe staat u hier bij? En toch de trouw Gods. Alleen vanwege Zijn eigen beloften. Daaraan is Hij trouw. Zijn beloften aan Noach dat zaaiing en oogst, zomer en winter niet zullen ophouden zolang de aarde zal staan. Daarom past ons ootmoedige dankdagbezinning. De trouw Gods ondanks ‘s mensen afmakingen en bestaan. Wij zijn geringer. Er is nog iets om op te letten. Hoe noemt Jakob zichzelf in onze tekst? Uw knecht. Daarin mag hij geloof oefenen. Ondanks alles is hij toch knecht, dat betekent hier: kind des Heeren. Is dat niet het grootste wonder? Het is het grootste bewijs van weldadigheid, van ontferming, van welbehagen. Het is de schoonste blijk van trouw. Dat wordt in de diepte beleefd. Zo verzondigd, zo onwaardig; en toch die trouw des Heeren. Daaraan mag hij in de diepte van geringheid in eigen oog voor God toch geloofshouvast hebben. Om Jezus’ wil. Die Zich zo gering maakte om Gods weldadigheid en trouw voor zulke onwaardigen te verdienen en aan zulke zondaren te bewijzen. Ook ons past verootmoediging vanwege de trouw Gods. Hij liet ons nog in de dag der zaligheid onder de verkondiging der genade. Waar bracht het ons? Laat het ons mogen verootmoedigen aan Zijn voeten, opdat het niet eenmaal tegen ons zal getuigen. Uit onze natuur komen verootmoediging en echte dankbaarheid niet voort. Integendeel. Maar de Heere weet zelfs een Jakob wel klein te krijgen. Zalige plaats wanneer we zo dankdag mogen/mochten  houden. Gering in eigen oog, maar toch door een geschonken geloof ziende op Hem in Zijn trouw en weldadigheid. Kind te mogen zijn en als kind verzorgd te mogen worden. In Zijn trouwe gunst weldaden ontvangen. Onzegbare genade. En dat voor zo een.

Ds. P. Mulder