Op Golgotha

“Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: “Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.”

Lukas 23:47

Hadden wij het voor het zeggen gehad, dan zou deze centurio toch wel de allerlaatste zijn geweest, die onder de schare daar op Golgotha in het hart zou zijn gegrepen. Hij immers is de ergste! Hij gaf bevel om de kruispaal op Christus’ schouders te leggen, hij had het opzicht tijdens de geseling, hij was verantwoordelijk voor het spotspel, dat de soldaten Christus aandeden met hun purperen mantel en hun doornenkroon, hij gaf het bevel de nagelen door de handen en de voeten van de Middelaar te drijven……. Hij is de ergste. Maar hier is nu het evangelie van vrije genade: de ergste wordt tot God bekeerd. Het heeft God behaagd in de stilte der eeuwigheid een welbehagen te hebben in deze vijand. Nooit te verklaren, alleen te bewonderen vrije zondaarsliefde heeft met vriendelijke ogen op deze ellendige albederver neergezien. De Vader heeft ook deze centurio gebonden in het bundelken der levenden in de handen van Zijn Zoon, opdat Die hem zaligen zou in een weg van recht en hem straks als een parel zou hechten aan Zijn middelaarskroon. Nooit is in woorden uit te drukken hoe diep deze man gezonken was in de poelen der verlorenheid: onbekeerd, hard geworden in de strijd, onbesneden, zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, vreemdeling van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld. Duizendmaal in gevaar en aan de rand van de dood geweest in de hitte van de strijd op de slagvelden – maar niet gestorven. Ach, hij kón niet sterven, hij mócht niet sterven. Hier op Golgotha slaat nu het uur van Gods welbehagen. God gaat bevestigen, dat Hij heeft uitverkoren hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken. En op deze heuvel, waar de gloed van ‘s hoofdmans vijandschap het felste brandt, gaan de stromen van Gods verkiezende liefde het rijkelijkst vloeien. Er is een volk op aarde, dat weet er wel van, dat de Heere niet naar hen heeft omgezien, toen zij het goed bedoelden, maar toen de hitte van hun vijandschap het hevigst blaakte. Ziehier op Golgotha de waarheid van het woord: vijanden worden met God verzoend! Daar grijpt God hem in zijn hart. Door welk wóórd is dat gebeurd? Op welk ogenblik dat is geschied, dat lezen we niet. Er staat in het algemeen, dat de hoofdman zag, wat er geschied was. En het voornaamste is, dat hij God verheerlijkte. Versta dat goed…..! Hij breekt niet uit in hallelujageroep. Hij zingt niet, hij roemt niet. Zulke Godverheerlijkende mensen zijn er nog wel, die in hun vrolijk christendom Jezus roemen. Maar ik vrees, dat het Gode niet behaagt. Maar waarin bestond dat God verheerlijken van deze hoofdman dan? Ach, ik lees in een ander evangelie, dat hij zéér bevreesd werd. Bevreesd, deze heiden, die God niet vreest en geen mens ontziet? Ja, bevreesd. Waarom dan? Omdat hij gaat zien, om Wie hij gestoken heeft. Hij gaat zien, wat hij gedáán heeft. Voor het eerst in zijn leven ziet hij de centenaarslast van zijn hemelhoge schuld. Kunt ge begrijpen, lezers, dat een mens dan vrezen gaat? Ja, kent ge dat vrezen ook uit uw eigen leven, dat rouwklagen over uw zonden als over een enige zoon, dat bitterlijk kermen als over een eerstgeborene? Hoor, daar breekt zijn mond open: waarlijk, deze Mens was rechtvaardig! Op een andere plaats lezen we nog, dat hij ook zei: Hij was Gods Zoon! Ge moet hier niet van maken, dat deze hoofdman nu Jezus kent als zijn Borg. Dat staat er in het geheel niet. Er staat, dat hij de middelste Kruiseling als Gód erkent (en tegen die God heeft hij, hoofdman, de vuist opgeheven!), en er staat ook, dat hij die God als rechtvaardig erkent. Zie lezers, in die twee zaken licht nu de kern en het merg van het beginnende Godswerk. Zichzelf te kennen als vloek- en doemwaardig en God te billijken en te rechtvaardigen. Zeker is die hoofdman verder geleid. Maar hier ligt het begin. In dat begin wordt God op het hoogst verhoogd en de zondaar op het diepst vernederd. En van dit kermen van een strafwaardig en verloren zondaar zegt het woord van onze overdenking – o eeuwig wonder! – dat het Gode verheerlijkend is.

Ds. A. Moerkerken