Pinksteren

“En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest”.

Handelingen 2:4a

Pinksteren wordt wel het feest van de vervulling genoemd. De Heere Jezus had kort voor Zijn sterven Zijn discipelen de belofte gegeven: ‘En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid’. Die belofte werd op de tiende dag na Christus Hemelvaart vervuld. Nee, de discipelen wisten de dag van de vervulling niet. Als de Heere Zijn Kerk een belofte geeft zegt Hij niet de tijd, wanneer die belofte vervuld zal worden. Gods tijd is anders dan onze tijd. De Heere doet dat met wijze oogmerken, opdat er de worsteling om de vervulling zou zijn. Dit hebben ook de discipelen ervaren. Reeds negen dagen hadden ze biddend en wachtend doorgebracht totdat de dag van het pinksterfeest, het ‘feest der weken’, aanbrak. Het was de vijftigste dag na Pasen. Vandaar de Griekse naam Pentecoste, d.w.z. de vijftigste. Ons woord Pinksteren is in dit woord terug te vinden. Het was voor de Jood een belangrijk feest. Immers, op die dag bracht men de eerstelingen van de tarweoogst in de tempel, en wijdde en heiligde daarmee de hele oogst aan de Heere. Maar met de uitstorting van de Heilige Geest wordt die dag van de grootste betekenis, omdat op die dag de eerstelingen van de oogst der volkeren binnen de geestelijke tempel gebracht worden en nu naar waarheid gezongen mag worden:

‘De Filistijn, de Tyriër, de Moren.
Zijn binnen U, o Godstad voortgebracht!
Van Sion zal het blijde nageslacht;
Haast zeggen: deze en die is daar geboren!’

Er was nog wat. Die vijftigste dag herinnerde Israël aan de dag dat het bij de berg Sinaï de Wet des Heeren ontving. En is het dan niet opmerkelijk dat de Heere 50 dagen na het Nieuwtestamentische Paasfeest Zijn Geest schenkt Die, naar Gods eigen belofte, de wet op de vlesen tafelen des harten zal schrijven? Hoe wordt dan het Pinksterfeest een heilsfeit van bijzondere betekenis voor de kerk. Het is de Heilige Geest Die uitgaat van de Vader en de Zoon om de laatste hand te leggen aan de grote werken Gods. Hij is de grote Toepasser van het heil dat Christus heeft verdiend door Zijn bitter lijden en sterven. Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn dan door de Heilige Geest. Het is Zijn werk om Christus te verheerlijken in harten van verloren zondaren. Door Zijn werk zal er een gemeente vergaderd worden uit het ganse menselijke geslacht. O, wat is het werk der zaligheid toch een hemels werk, een werk van de Drie-enige God. Er is een Vader Die verkoor, er is een Zoon Die kocht, er is een Geest Die toepast. Door Zijn dood en bloedstorting heeft Christus het fundament van de zaligheid gelegd. Hij heeft aan het Recht des Vaders voldaan en de losprijs betaald voor allen, die Hem van de Vader gegeven zijn. Maar Hij heeft nu ook de bevoegdheid ontvangen om de Heilige Geest te zenden. En die Geest is nu zo onmisbaar nodig. Van nature zijn we vervuld met een andere geest. Dat is een geest die doet zeggen: ‘Wijk maar van mij, want aan de kennis van Uw wegen heb ik geen lust’. Een geest die ons in vijandschap doet leven tegen God en de naaste. O, wat zijn we diep gevallen. In hoogmoed en trotsheid des harten gaan we aan het spreken Gods voorbij. Nee, wij zijn niet vervuld van de Heilige Geest, maar van een onreine geest. Uit het hart komen nu boze bedenkingen… Zonder de uitstorting van de Heilige Geest zou er van zaligheid geen sprake kunnen zijn. Maar Hij dan, door de Rechterhand Gods verhoogd zijnde en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende, heeft dit uitgestort dat gij nu ziet en hoort (Hand.2:33). Die Geest maakt dode zondaarsharten tot tempelen des Heiligen Geestes. Hij zoekt zondaren op, wekt ze op uit de geestelijke doodsslaap, wederbaart ze, verwekt in hun hart een droefheid die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Hij stort liefde Gods uit in het hart en doet uitroepen ‘Mannen broeders, wat moeten we doen om zalig te worden?’ Hij gaat het zondige en verdorven bestaan reinigen, zodat er voor Hem plaats gemaakt wordt in het hart, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Hij maakt Christus noodzakelijk en onmisbaar voor het hart. Hij doet de vermoeide en beladene aan Gods Genadetroon zuchten: ‘Wie is Hij toch, opdat ik in Hem gelove moge’. O geliefden, als die Geest komt om Christus te verheerlijken, blijft er alleen maar een des doodsschuldige over, die belijden moet: ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog’ dies ben ik HEER’ Uw gramschap dubbel waardig. Maar het is ook die Geest, Die hen Christus als Borg en middelaar doet omhelzen, zodat ze vanuit de verwondering en aanbidding mogen uitroepen: ‘Hij is de mijne en ik ben de Zijne’. Ja, het is dezelfde Geest Die hen verzekert van de gunst des Vaders en Die met hun geest getuigt dat zij kinderen Gods zijn. Zalig heilgeheim door die Geest te mogen weten de dingen die ons van God geschonken zijn. Een geschonken verlossing op grond van recht, een geschonken Verlosser, een geschonken zaligheid. En dat alles ‘om niet, uit genade’. O kerk van Christus, God geve dat we nog eens vol mogen worden. Nee, niet van het aardse en het vergankelijke, maar vol van God. Dat Gods Kerk zich verlustigen moge in het werk van die God, Die de zaligheid uitdacht, verwierf en toepast in harten van wederhorigen. rebellen, opstandelingen. Dan wordt ons hart vervuld met heilbespiegelingen. Dan roepen we met de bruid uit: ‘Uw uitnemende liefde is beter dan wijn’. Hebt u die pinkstergeest al nodig gekregen? Hoeveel pinksterpreken hebt u al gehoord? Wat was de uitwerking? Verslagen harten? Droefheid naar God? Gemeente, we hebben die Geest nodig. Smeek erom. Hij kan het hardste hart breken. Dat de bede zij: ‘Och, schonk Gij mij de hulp van Uwe Geest’. Uitziend volk, bedrukten van hart: Hij doe het pinksteren worden in de ziel door het getuigenis des Geestes dat zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, kinderen Gods zijn. Een heerlijker wetenschap is er op deze aarde niet te vinden.

Ds. B. van der Heiden