Rechtvaardigheid Gods(2)

“Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof.”

Rom. 1 : 17a

De blijde boodschap van het Evangelie houdt dus in dat er rechtvaardigheid is bij God voor onrechtvaardige mensen. Dat het mogelijk is dat een mens die enkel onrecht doet, weer recht voor God gesteld wordt, met God weer in een gemeenschappelijke betrekking komt. Met God, Die te rein van ogen is dan dat Hij het kwade zou kunnen aanschouwen? Hoe moet dat dan? Hoe wordt die rechtvaardigheid van God ons deel? Want we kunnen wel horen dat er rechtvaardigheid bij God is en dat is groot, maar aan het horen ervan hebben we niet genoeg. Kunnen we die gerechtigheid dan aangrijpen en met onze eigen handen pakken? Nee, alleen in de weg van het wonder door het geloof wordt die gerechtigheid ons deel.

Want als we door de verlichting van de Heilige Geest met Gods heiligheid en rechtvaardigheid te doen krijgen, dan komen we ook aan de weet dat God de schuldige geenszins onschuldig houdt. Want dat is het werk van de Geest van God om te overtuigen van zonde, bedreven tegen een heilig en rechtvaardig God. We krijgen met God te doen. Tegenwoordig zijn er veel mensen die krijgen met Jezus te doen, maar de oprecht overtuigde zielen krijgen met God te doen. We zijn immers uit God gevallen. De vraag wordt geboren: Hoe krijg ik een genadig God? En al degenen die zo overtuigd worden van hun onrechtvaardigheid komen er achter dat al hun inspanningen hen niet baten. Al wringen ze zich in allerlei bochten, toch doet dat alles geen nut voor de eeuwigheid. Als er iemand geweest is die meende wel door de wet zalig te kunnen worden, dan is het Paulus wel. In Filippenzen 3 noemt hij al zijn deugden op naar het vlees, maar hij moet bekennen: hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. Daar heeft Paulus geleerd dat het nodig was in Hem, in Christus, gevonden te worden, niet hebbende zijn eigen rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit de God is door het geloof.

Daarvan spreekt ook onze Heidelbergse Catechismus in Zondag 23. Op de vraag: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God, klinkt het antwoord: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus. En de kanttekening bij Romeinen 1:17 wijst daarop: Het gaat hier om de rechtvaardigheid waardoor wij voor de gerechtigheid van God kunnen bestaan, die ons van God wordt geschonken en door het geloof toegerekend. Hier wordt het genoemd: uit geloof tot geloof. De gerechtigheid voor God vloeit niet voort uit enig werk van de mens, maar wordt alleen door het geloof gekend. God schenkt het geloof en het geloof rekent zich de geschonken gerechtigheid toe. Het geloof eigent zich de gerechtigheid toe. Het geloof schenkt de Heere in het uur van de wedergeboorte. En de gelovige die alle gerechtigheid van zijn kant is kwijtgeraakt, slaat de armen om de gerechtigheid die door Christus is verworven.

Is het in het leven der genade nu zo, dat als de Heere een zondaar opzoekt met de wederbarende kracht van de Heilige Geest, dat die zondaar dan weet heeft van de gerechtigheid van Christus en dat het de troost ervaart dat hij in Christus voor God rechtvaardig is? De Heere kan dat wel werken, maar Hij maakt daar meestal stapsgewijze plaats voor in het hart van Zijn kinderen. Bij God vandaan is de zondaar die door de genadescepter van God wordt aangeraakt rechtvaardig voor God. Ik geloof dat Petrus daar uitdrukking aan gaf toen hij namens de andere discipelen beleed: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Toch moest hij nog veel leren. Er was wel die gevoelige tegenwoordigheid van de Heere Jezus. En als die wordt ervaren dan kunnen we daarop zo rusten en daarin leven. Leven in die aangename gestalte en het gevoel van de liefde van God in het hart. Dat is aangenaam, maar leven door het geloof alleen is iets wat de mens leert op de school van de Heilige Geest.

Hoe wordt dat dan geleerd? In een weg waarin het bevindelijk wordt verstaan dat we alle rechtvaardigheid, die voor God kan bestaan, missen. Waren het misschien eerst alleen onze zonden van woorden, gedachten en werken, die ons deden vluchten tot Christus en hebben we geleerd dat Hij ons daarvan alleen verlossen kan en hebben we door het geloof iets gezien van Zijn Middelaarsverdienste en hebben we mogen geloven dat Hij ook voor mij geleden heeft en gestorven is, dan laat de Heere in de oefeningen van het geloof zien dat alle rechtvaardigheid van de mens is uitgesloten, omdat we een verdorven natuur omdragen. Uit ons geen vrucht in der eeuwigheid. Zo maakt de Heilige Geest plaats voor de gerechtigheid van Christus. Dan leert een mens zichzelf bij vernieuwing kennen als een samenknoopsel van ongerechtigheid. Maar dan leidt de Heere Zijn kind ook aan de hand naar Jezus en doet zien niet alleen op een stervende Zaligmaker, maar ook op een opgestane Levensvorst. Dat doet met Thomas, een Jood, uitroepen in verwondering: Mijn Heere en mijn God.

Ds. W. Silfhout