Roemen in God

“Dezen vermelden van wagens en die van paarden, maar wij zullen vermelden van den Naam des Heeren onzes Gods.”

Psalm 20:8

Psalm 20 is een psalm van David. David is met het volk vergaderd bij het heiligdom, de tabernakel. De aanleiding voor deze psalm is dat de koning met zijn leger ten strijde moet trekken tegen een sterke vijand. David durft niet op te trekken voordat hij het aangezicht des Heeren heeft gezocht, samen met het volk. In deze psalm is sprake van wisselende stemmen, of van meerdere koren die aan het woord zijn. In de verzen 2 tot 6 wordt het gebed opgezonden of de Heere de koning wil helpen. De bede wordt opgezonden terwijl de rook van het brandoffer opstijgt. Het offer wijst heen naar de grond van het bidden, dat is het bloed des Lams. De rook wijst heen naar de Geest der genade en der gebeden. Zo stijgt het gebed voor de koning op. Gevraagd wordt: “Hij zende uw hulp uit het heiligdom en ondersteune u uit Sion” (vers 3). Geen menselijke hulptroepen worden te hulp geroepen, maar Gods hulp. Treffend is dat de Heere niet de grote nood wordt voorgehouden, maar dat Hem gevraagd wordt: “Hij gedenke al uw spijsofferen en make uw brandoffer tot as” (vers 4). Er is een besef dat alles verzondigd ligt en dat God daarom ook niet kan helpen om de grote nood, maar alleen op grond van het offer dat spreekt van bloed. De Heere toont het gebed te hebben gehoord. En dat Hij het ook wil verhoren, lezen we in vers 7. Door Goddelijke openbaring mag iemand getuigen: “Nu weet ik dat de Heere Zijn gezalfde behoudt.” Zijn gezalfde, dat is koning David, door de Heere Zelf uitverkoren tot het koningschap. De Heere had Zich door die zalving verbonden aan David. Gods eer was ermee gemoeid. Wonderlijke bijeenkomst is dit geweest! Er moet nog gestreden worden, maar de overwinning is al zeker. Hier mag leven: “In de grootste smarten, blijven onze harten, in de Heer’ gerust.” Dan wordt het overwinningslied aangeheven, vers 8: “Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des Heeren, onzes Gods”. Het is een lied van een zwak en krachteloos volk in zichzelf dat moet gaan vechten tegen een overmachtige vijand. Die vijanden zijn zo machtig. Ze beschikken over vele paarden en wagens. En wie over paarden en wagens beschikte in de oudheid, die was onoverwinnelijk. Daarom horen we hier de zelfverzekerde vijanden roemen in hun eigen wapens. Ze maken echter één grote vergissing. Ze rekenen buiten God. Volgens de koningswet van Deuteronomium 17 mochten de Israëlieten niet met paarden strijden omdat ze in de weg van gebedsworsteling het alleen van de Heere zouden verwachten. Ze moeten een voor het menselijk oog verloren strijd gaan voeren. Maar dan lezen we: “Maar wij zullen vermelden van den Naam des Heeren, onzes Gods”. Dit is de taal des geloofs, die zijn grond vindt in Gods eigen toezegging (vers 7). David mag rekenen met de Heere. Dan heb je het rekenen zoals we van nature altijd doen, verleerd. O wonder, David is gestorven aan eigen roem, aan roemen in eigen kunnen. Hij wordt verwaardigd hogerop te zien. Wie zo mag opzien tot de Heere, gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren, die mag in de dadelijkheid geloven dat God boven alles staat en alles doet om Zijns Zelfs wil. Gelukkig als wij, persoonlijk, in de kerk en in de wereld, niet ons vertrouwen zoeken in wagens en paarden, maar in een weg van verootmoediging en schuldbelijdenis aan de voeten van de Heere mogen terechtkomen als een alles verbeurd hebbende zondaar. Dan zal juist in die weg, waarin al onze verwachtingen worden afgesneden, het wonder ervaren worden dat de Heere gaat openbaren dat in de Naam des Heeren de verlossing ligt besloten. Juist van een verloren zondaar in zichzelf.

Ds. A. Schreuder