Simon de tovenaar

“Doch Simon, antwoordende, zeide: Bidt gijlieden voor mij tot de Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.”

Handelingen 8:24

Wie was Simon de tovenaar? Hij woonde in Samaria. Hij wordt een tovenaar genoemd. In het Grieks wordt het woord magiër gebruikt. Magie is occultisme, het omgaan met duistere machten. Het woord heeft iets satanisch. Occultisme, waarzeggerij, contact met doden, en al die dingen meer, behoren bij het domein van de slang. De oude slang uit het paradijs tracht ook op die manier mensen te verleiden en te brengen in de eeuwige dood. Laten we ons er verre van houden. In Samaria deed men dat niet. Simon had veel aanhang. Hij verrukte de zinnen van het volk en zei van zichzelf, dat hij iets groots was. Men vereerde hem als een god. Velen in Samaria, er staat zelfs allen, werden door hem meegesleurd naar het verderf. Toen kwam Filippus, de diaken en evangelist, die het Evangelie ging prediken. Velen kwamen tot geloof en tot de Zaligmaker, Jezus Christus. Zij werden gedoopt. Simon raakte zijn aanhang al meer kwijt. Er kwam dus in Samaria een krachtige werking van de Geest van Pinksteren. Zelfs van Simon lezen we, dat hij geloofde en gedoopt werd. Ook in Jeruzalem werd bekend, dat de Heere in Samaria krachtig werkte. Daarom kwamen Petrus en Johannes in Samaria op bezoek om Gods werk daar te zien. Zij kwamen tot de conclusie dat de Heere werkte in Samaria, maar dat de Heilige Geest “nog op niemand van hen gevallen was”. Dat wil zeggen, dat er nog geen krachtige uitstorting van de Geest was gekomen met de tekenen van die Geest. De Pinkstervolheid ontbrak nog. “Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest.” (vers 17). In dat verband lezen we weer van Simon. Hij bood de apostelen geld aan, opdat hij ook de handen zou kunnen opleggen en zo de Geest met Zijn tekenen aan anderen zou kunnen meedelen. Wat betekent dat? Hij dacht de gave van de Geest te kunnen kopen. Ligt dat niet diep in ons hart? We zouden Gods genade willen kopen. Daarover ging het in de Reformatie. Rome dacht de genade te kunnen kopen door goede werken, gebeden en eigen verdiensten. Zelfs met geld, zoals in de aflaathandel van Tetzel, waartegen Luther getoornd heeft, het geval was. Maar kunnen we ook niet in een ander opzicht de genade en het werk van Gods Geest willen kopen? Hoe leeft het in ons hart om door eigen verdiensten en eigen gerechtigheid Gods genade te kopen. Heb maar geduld Heere, dan zal ik U alles betalen! Zalig worden uit vrije genade alleen is zo strijdig met ons zondaarsbestaan. Het woord genade haalt een grote streep door al onze geestelijke “kooppenningen”. Petrus heeft de godsdienst van Simon ontmaskerd: “Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt … Bekeer u dan van deze uw boosheid.” Onomwonden noemt Petrus hem een “gans bittere gal en een samenknoping van ongerechtigheid”. De Heere houdt het ons zo eerlijk voor wie we door de zonde zijn geworden. Gelukkig als een mens daaronder mag vallen en de Heere gelijk leert geven. Hoe was de reactie van Simon? We lezen het in vers 24: “Bidt gijlieden voor mij tot de Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.” Dat klinkt goed. Is Simon hier tot bekering gekomen? Volgens sommigen, zoals Calvijn, is dat het geval. Uiteindelijk heeft de Heere geoordeeld over deze woorden van Simon. Maar weet u wat in zijn woorden ontbreekt? De hartelijke belijdenis van zijn zonde. We horen hem niet zeggen: Wee mij, dat ik zo gezondigd heb. Het gaat hem alleen om verlost te worden van de gevolgen van de zonde, en we horen niets over de droefheid over de zonde zelf. Dat is nu juist het kenmerk van een ware bekering. Dan blijven we niet hangen bij de gevolgen van de zonde. Dan leren we onze zonde hartelijk belijden en erkennen, dat we Gods gramschap zo waardig zijn. Als dat niet het geval is zal Christus voor ons geen waarde kunnen krijgen. De Zaligmaker heeft in de woorden van Simon geen enkele plaats. Laten we onszelf ernstig onderzoeken. Misschien hebben we wel eens gebeden tot God toen de gevolgen van de zonde ons neerdrukten. Maar is de zonde zelf onze grootste nood geworden? Is het ons werkelijk te doen geworden om de Heere en Zijn gunst en gemeenschap? Is Christus ons dierbaar en noodzakelijk geworden in onze zondenood? Dat is wezenlijk voor een waarachtige bekering. Dan staat ook deze geschiedenis in de Bijbel om ons te waarschuwen en te onderwijzen. Laat het gebed overblijven: Heere bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn! Dat is een gebed, waar ook Gods kinderen, als het goed is, niet bovenuit komen.

Ds. J.J. van Eckeveld