Waar zijt gij?

“En de Heere God riep Adam en zeide: Waar zijt gij?”

Genesis 3:9

Geliefde lezer, in de eerste hoofdstukken van het Nieuwe Testament die door de evangelisten Mattheüs, Lukas en Johannes geschreven zijn, kunnen we lezen van het onbevattelijke wonder dat de eeuwige Zone Gods, de menselijke natuur wilde aannemen en geboren wilde worden in de beestenstal van Bethlehem. In de komende weken zullen we daar weer bij bepaald worden. Om echter iets van de noodzakelijkheid van dat wondere geheim te kunnen verstaan, moeten we terug naar de eerste hoofdstukken van het Oude Testament. We kunnen in Genesis 1 lezen van de volmaakte schepping en de heerlijke staat waarin God de mens geschapen had. In Genesis 2 vinden we dan hoe de Heere met Adam het werkverbond gesloten had, waardoor Adam als verbondshoofd, en in hem al zijn nakomelingen, de zaligheid konden verdienen in de weg van gehoorzaamheid. Maar zo is het niet gebleven. Genesis 3, waar ook de tekst voor deze meditatie uit genomen is, bepaalt ons bij onze diepe val. Het beschrijft het feit van de zondeval, maar ook de aangrijpende wijze waarop de mens tot deze diepe val gekomen is. Probeert u met Gods Woord en de kanttekeningen er naast het maar te volgen. In vers 1b begint de satan, via de slang, Eva aan te spreken. Eva gaat luisteren en de satan begint twijfel te zaaien in het hart van Eva. Eigenlijk ligt hier al het begin van Eva’s val. Vervolgens gaat in vers 2, Eva met de satan in gesprek. Dan komt de twijfel en het ongeloof in Gods Woord bij Eva openbaar. In vers 3 gaat Eva namelijk Gods gebod zwaarder maken, en Gods straf lichter voorstellen. Van Gods gebod zegt ze, dat ze van die ene boom niet mogen eten, maar die boom ook niet mogen aanroeren. Dat eerste heeft God gezegd (Gen 2:17), maar van het niet aanroeren heeft God nooit gesproken. Daardoor maakt ze Gods gebod zwaarder. Verder zegt ze erbij: “Opdat gij niet sterft.” In de grondtaal staat er eigenlijk: “Opdat gij niet misschien sterft.” Op die manier stelt ze Gods straf lichter voor. De Heere had de straf op de overtreding namelijk duidelijk gesteld (Gen 2:17).  Is de weg naar de zonde nóg niet zo in ons leven? Bij Eva was de verleiding alleen nog maar van buiten af, maar bij ons komt de verleiding ook van binnenuit, uit ons boze, verdorven hart. Wanneer wij ons neigen tot de zonde, de twijfel in ons hart naar boven komt, mag het wel, of mag het niet, en we dan in “gesprek” raken met de zonde, dan zijn we op gevaarlijk terrein. En hoe vaak gebeurt dat niet op een dag? Dat we voor de keuze gesteld worden om iets wel of niet te doen. En wat probeert satan dan altijd weer om Gods gebod en de dienst des Heeren zwaarder voor te stellen, dan deze in werkelijkheid is. Wat probeert hij altijd weer Gods straf licht te maken in onze door de zonde verblinde ogen en harten. En zo vallen wij, net als Eva die ene keer in het Paradijs, dagelijks in de zonde, met onze gedachten, woorden en werken. En daardoor verdienen wij Gods rechtvaardige straf over de zonde, namelijk de drievoudige dood. Kom is dat reeds door de overtuigende bediening van de Heilige Geest de nood van uw en jouw leven geworden, zoals de dichter het zong; “zulk een last van zonde en plagen, niet te dragen, drukt mijn schouders naar beneden” en ook: “ik ben Uw gramschap dubbel waardig!”? Hoe komt Eva nu tot het eten van de verboden vrucht? We vervolgen de aangrijpende beschrijving ervan in Genesis 3. De satan gaat verder in zijn spreken tot Eva. Satan beschuldigt God van bedrog in vers 4 en gaat in vers 5 verkeerde en harde gedachten van God voorstellen. God zou a.h.w. bang zijn dat de mens ook als God zou worden. Dit laatste ontsteekt eigenlijk de diepe, goddeloze, zondige begeerte in het hart van Eva, de begeerte om te zijn als God. De wortel van alle zonde, die in ons aller hart van nature gevonden wordt, namelijk de hoogmoed. Eva ziet de boom, begeert haar vrucht, en doet de zonde (Gen 3:6). Zien, begeren, doen is de weg tot elke zonde. Ga het maar na in uw leven, jong en oud. Daarbij probeert satan altijd meerderen mee te slepen in het kwade. Zie het maar bij Eva. Ze geeft ook haar man (Gen 3:6b), die volmaakte kennis had en dus niet per ongeluk gegeten heeft. En ook hij at. En zo viel Adam, en wij in hem, van God af. Toen was het werkverbond verbroken en alles verloren en onder het oordeel des doods. En dan het wonder van onze tekst. Dan gaat God vanwege het eeuwige welbehagen, het genadeverbond openbaren en de mens die bij hem moed- en vrijwillig is weggelopen, toch weer opzoeken. Daar klinkt de stem door het paradijs: “Adam, waar zijt gij.?” Adam had nooit meer naar God gevraagd en ook niet naar Hem gezocht, maar uit eenzijdige liefde vraagt God naar Adam, die Hij reeds van eeuwigheid verkoren had tot de zaligheid. En zo zoekt de Heere nu nog op al degenen die Hem van eeuwigheid van de Vader gegeven zijn en maakt hen in het uur der wedergeboorte van dood levend. En alzo wordt waar wat artikel 17 van onze Nederlandse geloofsbelijdenis getuigt: “Dat God, Zichzelven begeven heeft om hem (Adam en alzo ook heel zijn uitverkoren Kerk) te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood en heeft hem getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven”, zoals we dat kunnen lezen in Gen. 3:15. En dat wonder van Christus komst wat in het Paradijs voor het eerst beloofd was en daarna vele malen herhaald is, wordt nu vervuld in de volheid des tijds en beschreven in het begin van het Nieuwe Testament.  Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken, verloren en rampzalige Adams-kinderen, die naar Hem niet zoeken en Hem niet nodig hebben. Zulken gaat Hij door Woord en Geest toeroepen: “Waar zijt gij?” Om ze als arme, rechteloze zondaren, in een rechte weg aan Zijn voeten te brengen. Om ze dan in de weg van het wonder iets van het geheim te laten beleven dat Hij nu geboren is in een beestenstal, om weglopers in Adam, weer op te zoeken en zalig te maken. De Heere schenke naar zijn welbehagen ons met onze kinderen iets van dat geheim van het Kerstfeest te mogen verstaan voor eigen hart en leven.

Ds. A. Verschuure