Welgelukzalig is de mens wiens sterkte in U is

Welgelukzalig is de mens wiens sterkte in U is.

Psalm 84 : 6a

Als we met elkaar staan aan het begin van een nieuw seizoen, waarin catechisatie en verenigingswerk weer zullen plaatsvinden als de Heere het geeft, dan hebben we sterkte nodig. Als we na een periode van vakantie ons werk in bedrijf of thuis of waar dan ook weer mogen voortzetten, dan kunnen we de kracht om dat werk te doen niet missen. Dat wist David, de dichter van Psalm 84, ook. Hij wist ook dat hij die kracht en sterkte niet van zichzelf had en ook niet bij zichzelf behoefde te zoeken. David gedenkt hier de feestgangers, die jaarlijks op de grote feesten uit alle delen van het land komen om op te gaan naar Sion. Hij noemt hen welgelukzalig omdat ze naar Sion opgaan, omdat ze zich voegen bij de grote scharen die al zingend optrekken om hun offers aan de Heere te brengen en om Hem te aanbidden in Zijn woning ? Nee, hij prijst hen welgelukzalig die optrekken en die voldoen aan twee voorwaarden: ten eerste dat hun sterkte in God is en ten tweede dat in hun hart de gebaande wegen zijn. Alleen de man bij wie deze twee dingen zijn, is welgelukzalig. Onze tekst bevat een aantal wonderlijke zaken. Het is al een wonder dat David van een mens kan zeggen dat hij welgelukzalig is. Een mens! Het kroonjuweel van Gods schepping, maar van God afgevallen, zichzelf van de kroon beroofd. De mens, die sterkte in God had, is nu geworden als een krachteloze reiziger. Toch kan David dit van de mens zeggen. Van de mens, die als een krachteloze reiziger zijn sterkte in God heeft leren vinden. En wie is nu de mens, wiens sterkte in God is? Dat is hij of zij, die ontledigd van alle eigen wijsheid, kracht en roem, van zich en alle schepselen buiten zich heeft leren afzien en het vertrouwen van zijn hart alleen op de Heere gevestigd heeft. Het is de ware Israëliet, die door genade de levende God kent en voor wie, buiten die God, geen hulp en sterkte te vinden is. Wie zoekt die kracht en sterkte? Och, de mens van zichzelf niet. Wat menen wij te beschikken over eigen kracht, die ons in staat stelt onze taak te verrichten. Wat denken we vaak in eigen kracht de problemen en zorgen van het leven aan te kunnen. Wat dacht Goliath in eigen kracht de legers van Israël te kunnen verslaan. Maar wat nietig blijkt ook deze reus te zijn als door de besturende hand van God een steen uit een slinger hem dood ter aarde doet vallen. Wat zijn we nietige, en zwakke mensen. Zonder de Heere kunnen we niets doen. Daarom: welgelukzalig is de mens wiens sterkte in God is. Er is heel wat voor nodig om een mens daar te brengen waar hij leert afzien van zichzelf en van alle schepselen en het vertrouwen van zijn hart alleen op de Heere gaat vestigen. Want dat strijdt zo tegen ons hoogmoedige eigen ik, dat van nature op de troon zit. Er is genade voor nodig om in een weg van ontlediging van alle eigen wijsheid, kracht en roem, de sterkte in God te zoeken. Het kan ook alleen maar door de genade van Hem, Die de menselijke natuur wilde aannemen en in onze menselijke zwakheid is ingetreden. Hij, Die God was en bleef, wilde mens worden. Wat een strijd heeft Christus moeten voeren om David en al Gods kinderen te doen getuigen: “Welgelukzalig is de mens wiens sterkte in U is”. Daarvoor heeft Christus Zich als Borg willen vernederen tot in de dood. Met de dichter van Psalm 22 moest Hij getuigen: “Mijn kracht is verdroogd als een potscherf”. Dat was nodig opdat mensen, die door Gods Geest hun eigen zwakheid, zondigheid, schuldigheid leren kennen, bedeeld worden met Zijn sterkte. Want in de weg van lijden heeft Hij sterkte gegrond. Hij schenke ons allen door wederbarende genade Zijn kracht te benodigen. Hem in alle dingen nodig te hebben. Hij lere ons op de school van Zijn Heilige Geest dat we zwak zijn in onszelf, niet kunnen strijden tegen de listige omleidingen van de duivel, geen verweer te hebben tegen de verleidingen van de wereld, geen kracht te hebben ons eigen verdorven bestaan te weerstaan. Om zo als een hulpeloze te verkeren aan Zijn voeten met de bede: Heere, sterk me door Uw kracht, want in mij is geen kracht tegen die grote menigte. Dan zullen we iets leren verstaan van het geheim waarvan Paulus spreekt: ‘Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht’, en: ‘Als ik zwak ben, dan ben ik machtig’.

Ds. W. Silfhout