Alle geslachten

“…Ga, gij uit uw land…”

Genesis 12:1-3

Wat was de aarde reeds vervuld met het kwaad.
Onze tekst staat nog maar in Genesis 12, maar er is al heel wat aan vooraf gegaan.
De boosheid op aarde was al vermenig-vuldigd en al het gedichtsel der gedachten des mensen was te allen dagen alleenlijk boos (Gen. 6 : 5).
De Heere was al eerder opnieuw begonnen met de mensheid toen Hij het overgrote deel verdronk in de zondvloed.
Met Noach ging de Heere het als het ware opnieuw proberen.
En helaas, Noach openbaarde ook een Adamskind te zijn en uit zijn geslacht werden de bouwers van de toren van Babel geboren.
De Heere verstrooide hen op de ganse aarde.
Ook toen leek er al niets van terecht te komen. En nu, in de roeping van Abram, zondert de Heere opnieuw enkele mensen af om uit hen de Kerk Gods te gaan bouwen.
Toont de roeping van Abram niet Gods taai geduld?
Nog laat Hij de wereld niet los en nog verdelgt Hij niet alle mensen.
Het is Zijn ondoorgrondelijke goedheid dat de Heere telkens weer begint.
Het is Zijn verkiezend handelen dat ook uit de geschiedenis van Abram blijkt.
De Heere grijpt in, in het leven van een mens, een Adamskind, een bedorven Syriër.
Als de Heere niet begonnen was, zou Abram weer terug gekeerd zijn.
Mozes, de schrijver van dit hoofdstuk, moet zijn zielsverwondering hebben opgeschreven: de HEERE nu had tot Abram gezegd”.
Dezelfde verwondering kan nog leven in het hart van een mens die naar God nooit vroeg, maar door de Heere werd opgezocht.
En omdat de HEERE nog Dezelfde is, mag het evangelie ruim wor-den gepredikt, in afwachting of de Heere er nog roepen zal tot het wonderbaar licht.
De Heere gaat door met Zijn roeping en daarom is er hoop voor hopeloze, gevallen men-sen.
Nehemia schrijft ervan in Nehemia 9 : 7 en roept het uit: “Gij zijt de HEERE, de God Die Abram heeft verkoren”.
Het heeft dus zin om nog te prediken, zending te be-drijven (en in een nieuw jaarseizoen de genademiddelen te blijven gebruiken (toevoeging dsav)).
Waar was Abram toen de Heere hem riep?
In Ur of in Haran? Uit vers vier krijgen we immers de indruk dat Abram op Gods bevel uit Haran ging met Saraï en Lot. Maar voorzichtig, in Hand. 7 : 3 lezen we dat Abram geroepen werd toen hij nog in Mesopo-tamië was!
We moeten Genesis 12 : 1 blijkbaar niet vastmaken aan het vierde vers van dat hoofdstuk.
De eerste drie verzen zijn een verklaring van de laatste verzen van hoofdstuk 11.
Waarom nam Terah de zijnen mee naar Haran? Wel, omdat de Heere Abram had geroepen in Ur.
In de karavaan die Ur verliet, bevond zich dus ook de oude vader Terah.
Is hij ook door de God van Abram ingewonnen? Hoe het ook zij, de roeping is vooral aan Abrams adres gericht.
“Ga, gij”. Gebiedend, ernstig en nodigend kwam dit Godswoord tot Abram.
Zo krachtig riep de Heere dat hij hier niet onderuit kon en bovendien wordt hij gewillig gemaakt, zodat hij er ook niet onderuit wil.
Het Woord komt zo majesteitelijk op hem af dat hij doet wat de Heere van hem vraagt.
Dat majesteitelijke blijkt uit de vele keren dat het uit de mond des Heeren klinkt: Ik” en in het oor-spronkelijke eigenlijk nog drie maal meer.
Zo overweldigt de Heere Abram en zo werkt de Heere ook in de krachtdadige roeping bij de wedergeboorte.
Een zondaar krijgt dan met God te doen. Die toont dat Hij God is.
En wat zal Abram doen? Zal hij alles losla-ten? Durft hij het er op te wagen? Ja, hij wordt er voor ingewonnen zich aan de Heere over te geven.
Uiteindelijk wil hij niets liever dan als Mozes en Ruth de keuze doen.
Al weet hij niet waar hij terecht zal komen.
Liever met God naar een onbekend en vreemd land dan zonder God in Ur of Haran te blijven.
Mochten we die gelukkige keus al doen? Maar er gebeurt hier meer. Het gaat hier niet alleen om Abram, maar er is meer in het geding.
De zaligheid van alle uitverkorenen is hier mee gemoeid.
In Abram zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.
De Heere zal hem zegenen en hij zal een zegen zijn voor al de volken.
Niet alleen de natuurlijke kinderen van Israël zullen baat hebben bij zijn roeping, maar ook al de heidenvolken zullen zaligheid kunnen ontvangen in hem.
In deze roeping ligt dus de roeping besloten van al de uitverkorenen (Rom. 11 : 17).
Ook Abram begreep dat er meer achter deze belofte schuil ging. Hij heeft met verheuging uitgezien naar de dag van zijn Zaad, de Christus (Gal. 2 : 16 en Joh. 8 : 56).
In dat Zaad ligt de zegening opgesloten, in Hem alleen. Niet de kinderen des vleses, maar al de kinderen der belofte zijn in Christus gerekend (Rom. 9 : 8).
Daarom is het voor Jood en heiden van belang te weten of we in Hem zijn.
En wij mogen ons daarom op z’n minst wel afvragen of dat Zaad voor ons van levensbelang is geworden.
Als Abram al met verheuging uitzag naar de komst van Christus, hoe wezenlijk is dat dan wel niet in de nieuwtestamentische bedeling.
Om tot zegen te zijn moest deze Nakome-ling van Abram de vloek gaan dragen.
Door de toom Gods te dragen, verwierf Hij de zegening voor al de Zijnen.
Ontdekte zondaren proberen wel die vloek op een andere manier te ontlopen, maar door de bearbeiding van de Heilige Geest zullen zij meer en meer gaan leren zien dat het leven alleen in Hem ligt.
Hij kwam ook in Kanaän. Hij moest ook alles verlaten en werd verlaten van al zijn discipelen.
Abram hield op zijn tocht nog een vrouw over en een neef, aanvankelijk trok ook zijn vader mee.
Christus kwam volkomen alleen te staan in de angsten der hel, in duisternis en Godsverlating.
Hij is ook opgestaan en is in het hemelse Kanaän om al de vreemdelingen en bijwoners op deze aarde eenmaal tot Zich te nemen.
De Heere roept, ook nu. Ga, uit uw land en uit uw maagschap.

ds. P. van Ruitenburg (Chilliwack, Canada)