Bidden en belijden

Ik ben Uwe, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht

Psalm 119 vers 94

‘Ik ben Uwe, behoud mij’, zo lezen we in vers 94.
Het is een korte belijdenis, direct gevolgd door een kort gebed.
Het is het belijden en bidden van Gods kinderen, die mogen weten door genade weer Gods eigendom geworden te zijn.
Hoort u ze belijden en bidden tegelijk? U hebt mij levend gemaakt Heere, maar behoud me, want ik ben mezelf niet toebetrouwd.
Wel, zo was het ook met David in Psalm 119. Hij weet zich omringd door vijanden.
En zijn tegenstanders blijken ook nog eens sterk en machtig te zijn.
Ze honen hem vanwege zijn trouw aan Gods wet en Woord. Want daarin vindt David vreugde, troost, kracht en moed.
We lezen dat de wet een voorwerp van liefde en een bron van vreugde en troost voor hem is.
Van Gods Woord zegt hij dat het betrouwbaar, zuiver en kostbaar is.
Hij belijdt dat het Woord van God voor eeuwig in de hemel is vastgesteld en dat Gods wet al zijn vermaking is.
En in vers 93 zegt hij: ‘Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt’.
Dat is groot als je dat zeggen kan en mag. Weten levend gemaakt te zijn!
En het is waar. Als we mogen wéten levend gemaakt te zijn door de kracht van Gods Geest, kunnen we dat ook nooit vergeten.
Dan staat dat in het hart gegraveerd. En kan het ook niet anders of Gods wet en Woord zijn een vermaking.
Want het was dát Woord dat kracht deed. In dát Woord vinden ze elke keer troost.
O, als Gods kinderen dat lieve Woord van God niet hadden, waren ze allang vergaan, zo zegt ook David in vers 92.
Al lezen ze in dat Woord van zonden en vervloeking, ze zullen het van harte beamen.
En tegelijk gaan ze uitzien Hem te mogen toebehoren, al zijn ze het nog zo onwaardig en al kunnen ze Gods wet in het geheel niet onderhouden.
Maar dan mag in datzelfde Woord toch ook gelezen worden van Eén Die de wet wel heeft onderhouden.
Dan mag Hij op Gods tijd gevonden worden, Die het vleesgeworden Woord is.
Jezus, Christus en Dien gekruisigd.
En wat een onnoemelijk groot wonder als ze in een weg van afbraak en ontdekking Zijn eigendom mogen worden.
Dan mogen Gods kinderen ook weleens tot die korte belijdenis komen uit vers 94: ‘Ik ben Uwe’. Het is maar een korte belijdenis van drie woorden.
Maar wat heeft ze een ontzettend rijke inhoud! Wie van u zou het de dichter vandaag na durven en mogen zeggen: Ik ben Uwe? Ik ben Uw eigendom?
Het is onmisbaar voor een ieder van ons. En we weten wel dat alles op aarde Gods eigendom is.
En we weten natuurlijk wel dat alles aan Hem toebehoort.
Maar toch kunnen we niet allemaal zeggen: ‘Ik ben Uwe’. Nee, dat kunnen alleen diegenen zeggen, die van God vervreemd waren, maar in genade door Hem Zijn aangenomen en weer Zijn eigendom zijn gemaakt.
En dat enkel uit genade, door de verdienste van Christus.
We begrijpen ook wel dat u niet zomaar tot deze belijdenis durft te komen.
Dat kan ook niet zomaar. Maar er zullen er onder u toch ook zijn die niet durven te ontkennen dat Gods Woord veel, zo niet alles waard geworden is.
Van die mensen die weten hoe God door dat Woord tot hen sprak.
Maar zij zijn gaan uitzien naar de kennis van Christus, omdat alleen in Hem behoud mogelijk is.
Want daarin ligt de vastheid. En daarom is er ook dat gebed: Heere, komt U er nog eens op terug.
O, wat is het onmisbaar nodig dat het Woord en Gods wet geleerd worden.
Daardoor leert een mens hoe diep zondig hij is. Daardoor gaan ze bidden: Maak mij levend naar Uw Woord.
Leer mij Uw inzettingen. En daardoor gaan ze roepen: Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil en op Uw Woord heb ik gehoopt.
Als een mens zo gebracht wordt aan de voeten van die grote Leraar ter gerechtigheid en de mogelijkheid van zalig worden vindt in Hem als het vleesgeworden Woord, dan mag hij met David weleens zeggen: ‘Ik ben Uwe, behoud mij’.
‘Ik ben Uwe’, omdat Gij mij in dat boek des levens geschreven hebt, naar Uw welbehagen.
‘Ik ben Uwe’, omdat Gij mij uit al het aards gedruis hebt doen naderen en Uw heilstem hebt doen horen, ja wonen in Uw huis.
‘Ik ben Uwe’, omdat Gij mij door de band des geloofs, in liefde met Christus, Uw Zoon verenigd heb.
‘Ik ben Uwe’, omdat U mij gekocht hebt met dat dierbare bloed der verzoening.
Hoort u het wonder in deze korte belijdenis doorklinken? Toch moeten al Gods kinderen ook zeggen dat ze zwak van moed en klein van krachten zijn en blijven.
En daarom wordt nu ook dat korte gebed in hun hart gevonden uit de tekst: ‘Behoud mij’.
Die korte belijdenis en dat korte gebed horen dan ook onlosmakelijk bij elkaar en kunnen nooit los van elkaar gezien worden.
Als deze belijdenis in uw hart is, is er ook dat gebed.
Waarom? Wel, omdat Gods kinderen weten elke keer weer in zonde te vallen.
Omdat ze weten dat ze de beloften die ze de Heere hebben gedaan niet kunnen houden.
Omdat ze weten dat ze zichzelf niet zijn toebetrouwd.
Omdat ze weten onverbeterlijk en hardleers te zijn.
Daarom bidden ze voortdurend: ‘Behoud mij!’ Dit is wat we u allen toewensen.
Of Gods Woord een vermaking mag worden en Zijn wet te onderhouden een lust, opdat zo deze belijdenis in uw hart gevonden mag worden op weg en reis naar die grote Gods ontmoeting: ‘Ik ben Uwe, behoud mij’.
En dat met de dichter gezongen mag worden: ‘‘k Ben d’ Uwe, Heer’, geleid mij ongestoord; Behoud mij toch, naar ‘t woord aan mij gegeven; Ik heb met lust Uw wetten nagespoord en die gezocht, door Uwen Geest gedreven’.

Ds. C. van Ruitenburg (Krimpen aan den IJssel)