Christus algenoegzame offerande

Want met één offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.

Hebreeën 10:14

De schrijver van de Hebreeënbrief heeft zich ten doel gesteld om de volkomenheid van het werk van de Heere Jezus Christus te prediken.
Daartoe vergelijkt hij de oudtestamentische bedeling met de nieuwtestamentische. Hij wijst op de vele offeranden, die oudtijds moesten worden opgeofferd en wel dagelijks, en die toch geen kracht hadden om het geweten te reinigen.
Daartegenover staat dan de éne offerande, die Christus heeft opgebracht en waarmede Hij in eeuwigheid heeft volmaakt degenen, die geheiligd worden.
Dit Schriftwoord openbaart ons de grote waarheid van de volkomen en algenoegzame borgtocht van de Heere Jezus Christus.
Hij is de Eniggeborene des Vaders, Die in de volheid der tijden de menselijke natuur heeft aangenomen en ons mensen in alles gelijk geworden is, uitgenomen dé zonde.
In Hem openbaart zich de eeuwige wijsheid Gods, welke de weg tot het zalig worden van de verloren mens heeft kunnen uitdenken, maar ook de liefde Gods, daar de Heere Zijn eniggeboren Zoon niet heeft ge-spaard, maar Die heeft willen overgeven, opdat Hij het recht Gods bevredige en de volkomen zaligheid van de zondaar verwerve.
Hij nu heeft die éne offerande geofferd die nodig was. Er moest een offer gebracht worden.
Juist het feit van het brengen van een offer wijst op een gebroken verhouding. Dat offer was nodig opdat er een verzoening tot stand zou komen.
Alle andere offers schoten daartoe te kort. Geen van de oude offers had de kracht om waarlijk te verzoenen.
De heiligen van de oude dag hebben dat geweten en hebben dan ook aan de offeranden nimmer die kracht toegekend, maar deze slechts gezien als aankondigingen van het zoveel volmaakter offer.
Het is zo nodig om deze dingen recht te verstaan. Nooit zullen wij de grote waarde van deze woorden recht verstaan wanneer wij niet eerst hebben gezien dat ook wij een offer van node hebben omdat wij onverzoend met God leven van nature.
De verhouding, die er eenmaal was, is verbroken.
O, hoe noodzakelijk dat dat waarlijk beleefd wordt opdat wij naar een middel tot herstel zullen gaan uitzien.
Daarnaar uitziende komt dan het vruchteloze van al onze pogingen openbaar en het waardeloze van al onze offeranden.
Zo hebben Gods kinderen van alle eeuwen het geleerd. Zo leert de Heere het nog Zijn volk.
Maar hoe groot wordt dan dit Schriftwoord wanneer door de Heilige Geest het aan ons bekend gemaakt wordt: Hij heeft een offerande gebracht.
Vrijwillig, volkomen en genoegzaam. In dit offer is geen gebrek. Het verheerlijkt God en zaligt de zondaar.
Er behoeft niets aan te worden toegevoegd. Het is volmaakt. O, hoe onbegrijpelijk, dat Hij dat heeft willen doen.
Hij was daartoe niet verplicht ten aanzien van de mensen maar Hij doet het omdat Hij lust aan de mens had.
Hoe wonderlijk, dat Hij dat heeft kunnen doen, want daarin ontsluit zich het wonder van almacht en wijsheid, daar Hij mens geworden is en God gebleven, opdat Hij zo de eeuwige en volkomen offerande zou kunnen opbrengen.
De omvang van deze offerande is onvoorstelbaar.
Van Zijn geboorte tot aan Zijn dood heeft Hij geleden en Zijn offerande is Zijn lijden en sterven.
De last van de toom Gods is daarin door Hem gedragen. Daartoe was Hij op het hout des kruises van God verlaten, en daalde Hij ter helle neder.
De vrucht van dit offer is echter gezegend want degenen voor wie Hij dit offer gebracht heeft, zijn daardoor in eeuwigheid volmaakt.
God heeft nu niets meer van dat volk te eisen, maar is volkomen met hen tevreden in Zijn Zoon.
Toen de poort van Christus graf ontzegeld werd, is van Godswege verklaard dat Hij voldaan was met deze offerande.
Nooit meer, tot in der eeuwigheid niet, zal God iets van dat volk kunnen vorderen want het is volkomen volbracht.
Wat een rijke en dierbare boodschap voor een volk, dat niets meer heeft om te betalen.
Zij behoeven niets meer op te brengen want alles wat tot hun eeuwige vrede dient is opgebracht.
Nu is echter de grote vraag of wij, lezers, ook delen in de vrucht van deze offerande.
Laten wij daarom op deze zo betekenisvolle vraag iets dieper ingaan.
Wij lezen hier dat deze offerande is opgebracht voor al degenen die geheiligd worden.
Wie zijn dat?
Het zijn degenen, die van God verkoren zijn, want het verzoenend lijden en sterven van de Heere Jezus Christus is door het eeuwig welbehagen Gods nader bepaald.
De vrucht daarvan zal zich uitstrekken tot de uitverkorenen alleen, al is de algenoegzaamheid van het offer ook zo groot, dat daardoor wel de ganse wereld zou kunnen gezaligd worden.
Toch lezen wij hier niet het woord „uitverkorenen”.
De Schrift spreekt hier van degenen, die geheiligd worden. In wezen zijn degenen, die geheiligd worden de van God verkorenen, maar wij moeten nimmer de orde, die God ons in Zijn Woord voorstelt, omkeren.
Wij moeten daarom niet onderzoeken wie Gods verkorenen zijn om dan te zeggen dat deze geheiligd zullen worden.
Maar wij moeten onderzoeken wie geheiligd worden, en daarin zien wie verkoren zijn.
De verkiezing wordt toch in haar vruchten gekend en één van de voornaamste vruchten is de heiliging.
Wie zijn dan degenen, die geheiligd worden? Zij zijn degenen, die door genade naar het beeld van God vernieuwd worden.
Degenen, die de waarde van de Heere Jezus Christus kennen, die tot wijsheid en rechtvaardigheid en heiliging gegeven is.
Hebben wij ons leven buiten onszelf gevonden? Zijn wij ooit alles verloren, waarop de mens zijn hoop en verwachtingen bouwt, om als een gans verloren mens ons leven in Zijn offerande alleen te vinden?
In onszelf is geen bestaansrecht voor God. De vloek ligt over ons en over al het onze.
Hoe pijnlijk ook om het te leren, het is nodig en nuttig, opdat Christus een gestalte in ons verkrijgen zou.
Gelukkig degenen, die buiten Hem niet meer leven kunnen, en die, hoevele bekommeringen er ook nog in hun leven over zijn, toch alles schade achten om de uitnemendheid van Zijn kennis en die begeren om in Hem gevonden te worden en niet meer te hebben hun eigen gerechtigheid, maar de gerechtigheid van de Zoon van de levende God.
Niet alleen tot gerechtigheid is Hij ons van node, maar ook tot heiliging.
Paulus zegt: „Christus leeft in mij”.
Als Hij in ons leven gaat dan gaan onze vleselijke begeerten sterven. In de gemeenschap van de Zoon Gods sterft de oude mens der zonde.
Zijn dood is de grond van het leven van Gods kinderen geworden maar Zijn leven wordt de dood van alle Gode onwelbehaaglijke lusten, genegenheden en strevingen.
Geheiligd te worden wil dan ook zeggen: het beeld van de Zoon Gods gelijkvormig te worden gemaakt.
Hoe meer nu dit leven der heiliging in Gods kind gevonden wordt, des te meer zal de rijke troost van de volkomen borgtocht van de Heere Jezus Christus ervaren worden.
Dit leggen wij u dan ook voor, waarde lezer, dat wij allen moeten staan naar deze kennis.
Geve de Heere, dat Hij ons leven zijn of worden mag tot Zijn eer en ons heil.

Wijlen ds. A. Vergunst (1926-1981),
predikant van Rotterdam-Centrum (1957-1972)