Christus’ onderwijs aan Zijn discipelen over Zijn lijden

Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem en veel lijden.’

Mattheus 16:21a

Geliefde lezers, we staan weer aan het begin van de lijdenstijd. Ook onze tekst wijst daar met nadruk op. We lezen: Van toen aan begon Jezus over Zijn lijden te spreken. Dit leert ons dat er in het leven van de discipelen een duidelijk punt is gekomen dat er in hun zielenleven iets verandert. Christus als de Leraar ter gerechtigheid begint met ander onderwijs in hun leven. Christus had daar zijdelings, mag ik dat zo zeggen, wel eens wat van gezegd, als u bijvoorbeeld denkt aan Mattheüs 9, dat de bruiloftskinderen niet kunnen treuren zo lang de Bruidegom bij hen is, maar dat er wel dagen zullen komen dat Hij van hen weggenomen wordt, dan zullen ze vasten. En ook in Mattheüs 12:40 had Hij hen er op gewezen dat de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten zou zijn in de aarde, zoals Jona drie dagen en drie nachten was in de vis, maar toch waren dat zaken die voor hen verborgen waren en waarvan eigenlijk niet het minst door hen werd verstaan.
Maar nu is Gods tijd gekomen dat er nader onderwijs in hun leven zal mogen worden ontvangen. Dat leert ons dat er dus onderscheiden oefeningen, onderscheiden standen zijn in het leven der genade. Er zijn zaken, daar staan sommige van Gods kinderen voor, er zijn dingen, daar mogen sommige van Gods kinderen reeds zijn ingeleid. Om het nog duidelijker te zeggen, daar zijn mensen onder Gods kinderen en die staan voor dat tijdstip “van toen aan” en daar zijn er ook van Gods kinderen en die mogen iets van dat tijdstip weten. Van toen af begon Jezus met nader onderwijs. Dat is Hij, de alleen wijze Leraar ter gerechtigheid, Die met eerbied gesproken, de zwakheid en de onvatbaarheid van Zijn kerk kent, ook voor nader onderwijs, Die ook hun aard en karakter en levensomstandigheden kent en Die op Zijn wijze tijd steeds in hun leven opnieuw doet aanbreken: “van toen aan begon Jezus”.
Daarom moeten wij maar nooit God de weg voorschrijven, ook niet na genade. Zeker, we mogen in de prediking en in het pastoraat, met de wetenschap dat er meer te leren is van die genade die in Christus is, wel heilig achter de mensen aandringen door te leren: Zoekt uw roeping en verkiezing vast te maken.
We mogen in het persoonlijke leven ook wel vragen om ontledigende en ontblotende genade opdat er plaats komt voor nader onderwijs. Maar alles, lezer, bijzonder kinderen des Heeren, in dat stille opzien: De ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts, om op God te letten, om dan maar heilig achteraan te komen. Ze dwongen God en ze bleven vrienden, om de Heere niet te dwingen in het gebed, om in het pastorale, ambtelijke bezig zijn niet te drijven, maar om heilig daarin te mogen achteraan komen. Dan zullen we nadien wel eens mogen zeggen van die leidingen des Heeren, ook als het gaat over dat nader onderwijs: “Heilig zijn o God Uw wegen”, want dan doet Hij het altijd rechtvaardig, wijs en zacht.
Dat punt in het leven van de discipelen, dat is een Schriftuurlijke gang, ook in het leven van de Kerk. Als er wat licht over vallen mag dan zullen Gods kinderen in de terugleiding wel eens mogen zeggen niet alleen dat er geweest zijn die dagen van de omgangen met de Zaligmaker, maar dat er ook een ogenblik gekomen is: “van toen af.”
Dat betekent niet, lezer, dat we systemen leren in het genadeleven, maar dat betekent alleen dat we iets van de heilige orde die de Heere Zelf in Zijn Woord heeft gegeven mogen aanwijzen in deze meditatie, mocht het zijn tot onderwijs in het algemeen, maar bijzonder ook tot zegen voor Gods kinderen, want de Heere is een God van orde. Zo was het in de schepping, zo is Hij het ook in de herschepping.
Van toen aan begon Jezus. Begon Jezus, zet u daar maar een streep onder. Het is Zijn werk en het is Zijn bediening alleen als die grote Leraar ter gerechtigheid. Hoe was het dan met die discipelen op dat tijdstip gesteld? Want dat is dan wel een hele belangrijke vraag.
Wat was nu de legering van de discipelen voor dat er hier staat: Van toen aan begon Jezus? In de eerste plaats waren de discipelen, met uitzondering van Judas, allemaal mensen die door het wonder van de wederbarende genade onder de prediking van Johannes de Doper of onder de prediking van Christus door de kracht van de Heilige Geest getrokken waren uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. En toen hadden ze allemaal een plekje gekregen op de leerschool van die Leraar ter gerechtigheid, deze gezegende Christus, Die Zijn kerk gegeven is als de grote Profeet om hen te onderwijzen. Wat hebben ze nu op die leerschool geleerd? Wel op die leerschool hebben ze drie jaren lang mogen omwandelen met de Heere Jezus. Wat hebben ze nu in die drie jaar van onderwijs in de omgangen met Christus vooral mogen zien?
Wel, toen hebben ze gezien de volmaaktheid van Christus in Zijn dadelijke gehoorzaamheid. Ik zal het u uitleggen. Toen hebben ze gezien, dat er van Christus gold: En wie overtuigt Mij van zonde? Ze hebben in die omwandelingen op aarde gezien dat Hij volmaakt en volkomen die heilige wet Gods onderhouden heeft.
Hij was waarlijk Degene Die de wet in al zijn delen vervuld heeft. En tegenover die volmaakte heiligheid van Hem in het licht van ware Godskennis hebben ze in die omgangen met Hem meer en meer hun walgelijkheid en hun ongelijkvormigheid en hun bedorven goddeloos bestaan voor eigen hart en leven moeten inleven. Ja, hun schuld, hun zonde en hun overtredingen. Zijn volkomen zachtmoedigheid klaagde hen als het ware aan in hun vijandschap, in hun drift en boosheid. Zijn volkomen barmhartigheid, Zijn volkomen opluisteren van het eren van Zijn Vader klaagde hen gedurig aan, dat er bij hen alleen maar was schuld, zonde en ongerechtigheid en dat van het uur van hun ontvangenis af.
Ze hebben in die omwandelingen op aarde met Christus moeten en mogen leren dat ze alleen maar schuld met schuld vermeerderen konden en dat ze met heel hun ingetogen nette leven voor die heilige rechtvaardige God nooit konden bestaan. Bedorven waren ze van de hoofdschedel tot de voetzool toe en ze zijn in die omwandelingen met de Heere Jezus al meer als een verloren mens op de aarde neergezet, voor wie zalig worden totaal onmogelijk is geworden. Want God doet altijd een afgesneden zaak op de aarde en juist in die omgangen met Christus heeft Hij als die gezegende Jezus zoveel heerlijkheid, zoveel waarde en zoveel dierbaarheid voor hen mogen ontvangen, want juist in Hem lag alleen het leven, alleen in Hem lag de zaligheid.
Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Zojuist heeft Petrus Hem mogen belijden: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Bij U zijn de woorden des eeuwigen levens, zoals we nader van die belijdenis lezen in Johannes 6 de verzen 68 en 69. O ze beleden: de zaligheid ligt alleen buiten hen in die gezegende Borg en Middelaar, Die als die grote Profeet hen wilde onderwijzen in die enige Naam Die onder de hemel gegeven is tot zaligheid.
En nu, daar hebt u de legering van de discipelen, en nu nadat Petrus zijn kostelijke belijdenis heeft afgelegd, nu acht Christus de tijd gekomen, van toen aan, om als die grote Profeet onderwijs te gaan geven over Zijn priesterlijke arbeid, want Hij is niet alleen gekomen om in dadelijke gehoorzaamheid de wet te vervullen, maar Hij is nu ook gekomen om in lijdelijke gehoorzaamheid door Zijn lijden en door Zijn sterven ’s Vaders eer, ’s Vaders deugden te verheerlijken, om aan Gods eisend recht, wat de straf eist op de zonde, volkomen genoeg te gaan doen. Hij gaat hen nu ook onderwijzen, niet alleen dat Hij in dadelijke gehoorzaamheid de wet vervuld heeft, maar dat Hij nu in lijdelijke gehoorzaamheid gaat betalen aan dat eisende recht Gods.
Want de Kerk kan alleen maar verzoend worden, niet in de omgangen met Christus, maar als op grond van recht de straf is gedragen, de schuld is verzoend en ze zo op grond van volkomen voldoening de verzoening met God in Christus mogen ontvangen.
Sion zal alleen door recht verlost worden en dat nader onderwijs gaat Christus als die grote Profeet nu schenken aan Zijn kinderen, opdat zij leren zullen dat zij als arme en verdoemelijke zondaren, die nooit meer kunnen voldoen aan die volmaakte eis van Gods rechtvaardigheid, zouden gaan doorleven dat het een verloren zaak in hun leven zal worden. Opdat er alzo plaats zal komen, voor hen die schuldig gesteld worden aan dat eisende recht Gods, voor dat priesterlijke werk van Christus, om het geheim te mogen gaan verstaan: “Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood zou moeten sterven”.
Niet alleen een Middelaar, Die de wet voor Zijn kerk vervuld heeft, maar dat ze ook een Middelaar nodig gaan krijgen Die aan de rechtvaardige God, tegen Wie ze gezondigd hebben, volkomen betalen zal. Ja, hem nodig te krijgen Die als Middelaar door Zijn dood en bloedstorting, die heilige Rechter zal gaan bevredigen omdat door Zijn gezegende arbeid, door Zijn priesterlijke bediening, de Kerk in Hem nu weer met God verzoend mag worden op gronden van recht. Over dat geheim van Zijn Priesterlijke arbeid, gaat Hij ze onderwijs geven.
Christus gaat als de grote Profeet onderwijs geven over Zijn priesterlijk werk. Dat Hij moet heengaan naar Jeruzalem om veel te lijden. Dat Hij gaat lijden en sterven om zo de straf op de zonde voor Zijn kerk te dragen en zo ’s Vaders eer en deugden, de deugd van Zijn rechtvaardigheid in het bijzonder, te gaan opluisteren en te gaan verheerlijken. Hij gaat er zelfs bij vertellen, op het einde van vers 21, dat Hij ten derde dage zal opgewekt worden. Hij gaat er zelfs al bij vertellen dat Hij straks als de opgestane Koning, hen die weldaden zal gaan toepassen. Dus nu krijgen ze Christus niet alleen te kennen als Profeet, maar nu gaat Hij als Profeet ook spreken over Zijn priesterlijk werk en over Zijn koninklijk werk.
Dus na de kostelijke belijdenis en de zoete omgangen met Christus komt er nader onderwijs, waarin ze de omgangen met Christus moeten gaan missen, waarin de zoetheid voorbij gaat en waarin het recht meer en meer gaat functioneren in hun leven. Christus gaat er op aan werken dat de zaak in hun leven opgelost moet gaan worden. Dat Sion alleen door recht verlost zal worden.
Kom, geve de Heere maar dat de lijdensweken onder ons daar ook voor gebruikt mogen worden, omdat er een erfenis onder ons, die niet vreemd is van dat beginnende werk en onderwijs des Heeren, eens een stapje naderbij gebracht zou mogen worden en ook in de lijdensweken onderwijs mochten gaan ontvangen over het priesterlijke werk van Christus. Dat ook in hun leven waar zou worden: “van toen af begon Jezus”.
En mist u en jij dit onderwijs. Dan moge er heden voor u en jou een “van toen aan” komen in uw leven. Voor het eerst om stilgezet te worden op de brede weg die naar het verderf leidt. Maar ook opnieuw om deze dingen die we overdachten te mogen leren op de leerschool van deze Dierbare Ambtsdrager. Dat geve de Heere door Zijn Geest, uit genade.

Uw en jouw ds. A. Verschuure