Christus’ waarschuwend woord aangaande de dag zijner toekomst

“Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure dat gij het niet meent zal de Zoon
des mensen komen”.

Mattheüs 24 vers 44

In het vorige hoofdstuk lezen we dat de Heere Jezus afscheid heeft genomen van de tempel en het aangrijpende woord gesproken heeft: “Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.”
Hij heeft de oversten gezegd dat zij Hem hadden verworpen en dat de stad en tempel verwoest zullen worden.
Wat is het een vreselijk oordeel dat Christus aankondigt aan hen die uitroepen: “des Heeren tempel zijn dezen.”
Wanneer Hij van hen geweken is, zal er geen behoudenis meer mogelijk zijn.
We moeten wel vrezen dat het met ons land en volk en met onze kerken ook zo zal gaan.
Wij hebben het ons waardig gemaakt.
Het ware werk der genade is schaars geworden, hoewel we wel mogen opmerken dat er ook in deze tijd nog een overblijfsel is naar de verkiezing der genade.
Voor hen zal het gelden: “Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.”
Christus wijst op het grote eindgericht en welke vreselijke oordelen daaraan vooraf gaan.
In plaats van ons in te beelden ‘vrede en geen gevaar’ mogen we wel vrezen.
Op allerlei wijze wordt getracht de mens te vermaken met hetgeen de wereld en de godsdienst bieden opdat we voort zullen slapen als in het opperste van de mast en we maar geen indrukken zullen hebben van dood en eeuwigheid.
Maar Christus wijst er met grote ernst op: “Daarom, zijt ook gij bereid……”.
Het is een ernstige roepstem om voor- en toebereid te worden voor de grote eeuwigheid.
Gelukkig die de rust opgezegd worden en die leren met miljoenen medereizigers in hetzelfde oordeel te zijn aan deze zijde van het graf.
Dan wordt beleefd dat we niet sterven kunnen zoals we geboren zijn, want waar de boom valt daar zal hij wezen.
Dat geldt niet alleen de oudste, maar ook de jongste.
Ieder ogenblik kan het ook voor ons gelden: “Geef rekenschap van uw rentmeesterschap.”
De tekenen der tijden in aardbevingen, overstromingen, oorlogen, aanslagen, enz. roepen ons toe dat het einde aller dingen naderbij komt.
We moeten wel ziende blind zijn om niet op te merken de vreselijke uitleving der zonde terwijl de bestraffende man in de poort gehaat wordt en ook onder de belijders der waarheid gevreesd moet worden, ziende op de levenswandel dat het meer en meer wordt: ‘laat ons naar het goeddunken onzes harten wandelen.’
Als niemand er erg in heeft: “in welke ure dat gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.”
Als een dief in de nacht.
“Daarom, zijt ook gij bereid….”
Dan worden onze blinde zielsogen geopend en geleerd dat wij met miljoenen medereizigers in hetzelfde oordeel zijn.
Dan wordt het ingeleefd: “Zo Gij , Heere, onze ongerechtigheden gadeslaat, wie zal dan bestaan?”
Dan klaagt Gods heilige wet ons aan en veroordeelt ons geweten ons.
Dan krijgen we te doen met de alwetendheid Gods en wordt het eeuwigheid in de tijd.
Dan wordt het omkomen aan onze zijde, maar dan wordt ook door Gods Geest geleerd: ik zal mijn Rechter om genade bidden, opdat in het dal van Achor een deur der hoop mag geopend worden en er plaats gemaakt wordt voor Hem, buiten Wie geen leven is, maar een eeuwig zielsverderf.
Dan houden de wegen op aan onze zijde, maar wordt de weg der ontkoming ontsloten in Hem, Die zich tevoren om hunnentwil in het gericht Gods gesteld heeft opdat zij die zich de eeuwige dood waardig keuren mogen horen: “maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt”.
Het wordt ons nog verkondigd dat naar Gods eeuwige raad Zijn welbehagen door Christus’ hand gelukkiglijk voortgaat opdat een volk dat hier door genade wordt voor- en toebereid Zijn komst te verwachten door het werk van Christus die weg ontsloten wordt om in Gods gemeenschap hersteld te mogen worden.
Op Hem was de toorn Gods in de bangste ure van de Godsverlating, opdat Hij Zijn arbeidsloon zou ontvangen dat Hij nog bijeen vergaderen zal, tot de laatste zal zijn toegebracht door Zijn Woord en Geest en het voor de gehele Kerk des Heeren zal gelden tot Zijn eer en verheerlijking en tot zaligheid van allen die hier Zijn verschijning hebben liefgehad: “en mij hiertoe door U bereid, opnemen in Uw heerlijkheid”.

Wijlen ds. M. Mondria