Daarna is Hij gezien van Jakobus.

”Daarna is Hij gezien van Jakobus.

1  Korinthe  15  :  7a

Paulus is bezig de waarheid van de opstanding van Christus te bewijzen.
Bij dit heilsfeit zijn geen getuigen tegenwoordig geweest, zoals dat wél het geval was bij de geboorte, het sterven en de hemelvaart van Christus.
Hoe weten wij nu dat Hij tóch is opgestaan? Wij weten dat in de eerste plaats uit de Schriften, zegt de apostel.
Merkwaardig: hij stelt de Schriften (dat wil hier zeggen het Oude Testament) vóór de verschijningen!
Dat het Woord het zegt, is blijkbaar nog belangrijker dan dat mensen Hem hebben gezien.
Toch zijn de verschijningen ook heel belangrijk. Zij bevestigen de opstanding van de Middelaar.
De verschijning waarover het nu gaat, is er een aan Jakobus.
Welke Jakobus? Er zijn er wel drie geweest die mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen.
De broer van Johannes, de zoon van Zebedeüs, heette Jakobus.
Dan is daar nog een heel onbekende apostel, een van de twaalve, de zoon van Alfeüs.
En ten slotte is daar de ‘broeder des Heeren’, een bloedverwant van de Heere Jezus.
We laten de vraag nu maar rusten of aan een broer of neef moet worden gedacht.
Sommigen menen dat de tweede en de derde Jakobus dezelfde persoon zijn. Hoe het ook zij, wij zullen aan de broeder des Heeren moeten denken.
Hém bedoelt Paulus altijd, als hij in zijn brieven over Jakobus spreekt.
Deze Jakobus is heel dicht bij de Heere Jezus opgegroeid. Tientallen jaren is hij in Zijn nabijheid geweest.
Hij heeft Zijn woorden gehoord, Zijn wonderen gezien, Zijn heiligheid en reinheid ervaren.
Toch is hij al die jaren onbekeerd gebleven.
De waarschuwende woorden en de liefdevolle prediking van Jezus hebben zijn hart niet verbroken.
O, Jakobus is altijd onberispelijk geweest.
Hij stond onder zijn volksgenoten bekend als ‘de rechtvaardige’.
Maar ook van hem gold het ontzettende woord van Johannes 7:5: Ook Zijn broeders geloofden niet in Hem.
Hoevelen zijn er onder ons niet, die hun beeld in deze man getekend moeten zien!
Wij leven zo dicht bij Christus en bij Zijn inzettingen. Wij horen Zijn Woord en zien Zijn wonderen, aan anderen bewezen.
Misschien eten en drinken wij wel regelmatig in Zijn tegenwoordigheid aan de tafel van Zijn Avondmaal.
Maar dat alles kan er zijn, terwijl wij toch het geloof missen in Hem.
Dat geloof is een gave Gods en verenigt ons met Christus.
Jakobus was een heel godsdienstig mens en heeft vele jaren lang de Christus verworpen, in Wiens nabijheid hij leefde.
Is dan ons tekstwoord geen wonder van Gods opzoekende liefde?
Na Zijn opstanding verscheen Christus in die veertig dagen tienmaal, alleen aan Zijn discipelen die in Hem geloofden.
Maar Hij heeft één uitzondering gemaakt. Kort voor Zijn hemelvaart is Hij verschenen aan Zijn zeer godsdienstige, zeer vijandige broeder…
Geen woorden zijn bij machte te zeggen wat er tijdens die verschijning is gesproken.
Eén ding is zeker: het ging van Christus uit, niet van Jakobus.
Daar heeft Hij de ogen van Zijn broeder geopend, daar is de rechtvaardige een verlorene geworden.
Daar is Jakobus gevallen aan de voeten van Hem voor Wie hij nimmer wilde knielen.
Daar heeft de kracht van Christus’ opstanding deze mens opgewekt tot een nieuw leven.
Toen werd deze Jakobus een kind van God.
Vervolgens werd hij een knecht van God. En ten slotte is hij een martelaar geworden voor Christus, zijn oudste Broeder.

Ds. A. Moerkerken