De enige Schuilplaats

Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.

Psalm 91 vers 1

Psalm 91 is een psalm zonder opschrift. We weten dus niet wie de dichter is geweest.
Was het Mozes, of David, de man naar Gods hart?
We kunnen er geen antwoord op geven. Wel weten we dat de dichter een man des geloofs was.
Een man die God tot zijn deel had. Hij spreekt in onze tekst over een schuilplaats.
Dat was een bekend beeld onder oud-Israël. De herders schuilden er met hun vee, wanneer ze achtervolgd werden door rovende nomaden of wanneer er een hevig onweer woedde.
David had ook zo’n schuilplaats in de spelonk van Adullam.
Maar hier wordt gesproken over de schuilplaats des Allerhoogsten.
Adam in het paradijs, in de staat der rechtheid, had die niet nodig, want er was geen gevaar, alles ademde vrede.
Daar verkeerde de wolf met het lam, daar lag de luipaard bij de geitenbok neder. Maar door de zonde werd alles anders.
Op de bodem aller vragen, ligt der wereld zondeschuld.
Door de zonde is de dood en het verderf in de wereld gekomen.
Daarom dreigt het gevaar nu van alle kant. Hebt u de gevaren wel eens gezien die u bedreigen?
Dat u onderworpen bent aan de drievoudige dood, aan allerhande ellendigheid, zelfs aan de verdoemenis?
Wanneer onze kinderen gedoopt worden, lezen we in het doopformulier: onze kinderen zijn kinderen des toorns, die in het Rijk Gods niet kunnen komen, tenzij zij van nieuws geboren worden.
Een mens heeft veel schuilplaatsen. De één een trouwe kerkgang. De ander leeft o zo netjes, net zoals de rijke jongeling.
We vertrouwen er heimelijk op. We zijn rijk en verrijkt en hebben geens dings gebrek.
Maar we hebben allemaal nodig dat onze deugd eens een wegwerpelijk kleed wordt.
Dat die schuilplaatsen van ons eens weggeblazen worden door de ontdekking van de Heilige Geest.
Vraag daar toch om! Om de enige schuilplaats te leren zoeken en vinden.
De schuilplaats des Allerhoogsten. De Allerhoogste, dat is de drie-enige God.
We lezen van Melchizedek, dat hij was priester van de Allerhoogste God. Die geen mens nodig heeft om Zijn lof te verkondigen, maar Die van eeuwigheid vrede gedachten heeft gekoesterd over Zijn bruidsgemeente.
De drie-enige God, dan weten we, Vader, Zoon en Heilige Geest. God de Vader, Die alles regeert en heerschappij heeft over al het geschapene.
Die tot het noorden zegt: ‘Geef’ en tot het zuiden ‘houd niet terug, breng Mijn zonen van verre en Mijn dochters van het einde der aarde.’
De Allerhoogste, dat is God de Zoon, Die door de engel Gabriël de Zoon des Allerhoogsten wordt genoemd.
Hij heeft voor die schuilplaats gezorgd. Hij is de Schuilplaats Zelf. Tijdens Zijn omwandeling op aarde, was er voor Hem geen schuilplaats.
Op Hem zijn de scherpe pijlen van de Goddelijke gramschap neergekomen.
Daar horen we Hem klagen als de Man van smarten: ‘Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe.’
Toen Zijn lijden haar hoogtepunt bereikte, riep Hij uit: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’
Hij heeft in een kort tijdsbestek geleden, wat Zijn Kerk anders rechtvaardig, eeuwig had moeten ondergaan.
Hij is doorstoken met het wraakzwaard van Gods heilig ongenoegen. Hij is als een Lam ter slachting geleid.
Maar als de Leeuw uit de stam van Juda, heeft Hij de dood overwonnen. De dichter zingt: ‘De kerker werd Uw buit o HEER!’
Om zo in die weg, voor armen en ellendigen, het leven en de zaligheid te verdienen, maar ook door de Heilige Geest toe te passen.
De schuilplaatsen in Israël waren vaak verborgen.
Men had een gids nodig die de weg wees.
Zo is het ook in het leven van zondaren. Want het is niet genoeg dat we weten dat er een schuilplaats is.
De Heere Jezus is in de wereld gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Dat kunnen we gelukkig nog iedere zondag horen.
Maar van nature zwerven we wel buiten deze Schuilplaats.
Wie van u heeft die Schuilplaats nodig gekregen? Alleen toch degenen van wie het hart onrustig is gemaakt en wiens ogen geopend zijn?
Mensen die voor God niet kunnen bestaan en zonder God niet kunnen leven. Zij, die eeuwigheidsogen hebben gekregen.
Die beleven: `k Wou vluchten, maar kon nergens heen, zodat mijn dood voor handen scheen.
Maar toen zij als verlorenen aan Gods voeten neervielen, werd voor hen de deur geopend.
Een deur der hoop voor al hun zonden, in Jezus’ diep doorboorde wonden.
In Jezus alles gezien. Onze tekst spreekt echter niet van een zien van een schuilplaats, maar een zitten in de schuilplaats.
Wie daar in zitten mag is veilig.
Daar heeft de vijand boog en schild en vurige pijlen op verspild.
In die schuilplaats zitten mensen, die zich gedurig aan de Heere betrouwen.
Wiens gebed het is: ‘Wees mij een rots, om in te wonen;
Een schuilplaats, waar mijn hart Steeds toevlucht vind’ in smart.’
Die mogen ook vernachten in de schaduw des Almachtigen.
We denken weer even aan het oosten, waar de brandende zon zijn verzengende stralen laat schijnen.
Wat is het dan een voorrecht om in de schaduw te mogen schuilen.
Zo is nu in Christus voor Gods gemeente veiligheid te vinden. Het woord vernachten betekent letterlijk: ‘de nacht doorbrengen’.
De nacht is ook het beeld van tegenspoed, van verdrukking.
Veel wederwaardigheden, veel rampen zijn des vromen lot.
Maar toch, uit die alle redt hen de Heere. Gij hebt mij bijgestaan. Dat heeft Daniël ervaren in de leeuwenkuil.
De drie jongelingen in de brandende oven. Dat zullen al Gods kinderen mogen ervaren, want Israëls Wachter sluimert niet.
En als de dood komt, mogen zij voor altijd bij de Heere zijn.
Nog worden we geroepen, gewaarschuwd en genodigd, om schuiling te zoeken in deze enige Schuilplaats.
Want dan wordt het waar zoals er staat in Psalm 32 vers 4:

Gij zijt mij, Heer’ ter schuilplaats in gevaren;
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;
G’ omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,
Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt,
Mijn leer zal u, o mens, naar ’t recht doen hand’len,
En wijzen u den weg, dien gij zult wand’len;
Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.

Ds. A.J. Gunst