“De Heere is goed, Hij is tot sterkte in de dag der benauwdheid …

“De Heere is goed, Hij is tot sterkte in de dag der benauwdheid en Hij kent degenen die op Hem betrouwen”.

Nahum 1:7

Wanneer we het eerste vers van dit hoofdstuk even nalezen, dan zien we daar de op-dracht staan die Nahum van de hemelse Zender had ontvangen.
Daar staat: “De last van Ninevé”, d.w.z. de opdracht of boodschap die Nahum had ontvangen en die hij nu aan Ninevé bekend moet maken.
Want voor Ninevé, de hoofdstad van Assyrië, is deze boodschap bestemd.
We zien dus dat God een boodschap heeft voor een heidense stad.
Het is een boodschap die vol is van Gods gerichten. Ook het volk van Juda, het twee stammenrijk wordt nog in deze boodschap betrokken.
Ninevé is voor ons een bekende stad. Ongeveer honderdvijftig jaar vóór de prediking van Nahum had God ook een boodschap voor Ninevé.
Die boodschap is gebracht door de onwillige profeet Jona.
Op de prediking van Jona heeft Ninevé zich bekeerd waardoor het oordeel Gods van haar is afgewenteld.
Maar hoe komt het dan dat de profeet Nahum nu weer tot Ninevé moet spreken en nog wel een gerichtsprediking?
Wel, dit komt omdat Ninevé niet standvastig is gebleven, maar omdat het weer overgegaan is tot de zondedienst.
Ze leven weer in grote goddeloosheid, ja, zij hebben zich zelfs vergrepen aan het volk van God, aan Israël.
Zij hebben het rijk van de tien stammen, dat ook wel Efraïm ge-noemd werd, geplunderd en een groot gedeelte daarvan weggevoerd.
Ja, maar de Heere had ze toch tot dat werk geroepen? Want in Jesaja 7 : 20 lezen we dat de Heere door een gehuurd scheermes, de koning van Assyrië, het hoofd en het haar en de baard zal afscheren en wegnemen.
Ja dat is ook waar. God had dit volk van Assyrië geroepen om te tuchtigen.
Doch Assyrië is zich daarin te buiten gegaan. Zij heeft het veel erger gemaakt dan was toegelaten en daardoor heeft zij zich de toorn Gods waardig gemaakt.
Die toorn Gods rust nu niet meer in de eerste plaats op Israël, de tien stammen, maar op Assyrië, het gehuurde scheermes.
We zien dat God dus geen onrecht duldt, Hij kan niet toelaten dat Zijn volk zo wreed vervolgd en benauwd wordt.
Nee, Hij zal Zijn volk Israël niet eindeloos kastijden.
Ook al had Israël het verzondigd, toch zal God ze nog gedenken. Vandaar dat Nahum, als de profeet des Heeren, uitgezonden wordt om het Woord Gods te spreken tegen Ninevé.
Hij moet aan deze stad een boodschap van gericht gaan brengen.
Doch nu rijst de vraag: wat voor betekenis heeft dit nu voor Israël en Juda?
Immers van Israël, de tien stammen, was al een groot gedeelte weggevoerd en Juda sidderde bij al die geruchten van oorlog en geweld, dat steeds naderde.
De toekomst zag er slecht uit, en wie zou verlossen? Wel, die boodschap heeft voor hen, voor Juda en de overgebleven Israëlieten van de tien stammen, alles te betekenen.
Zij mogen zich er in verblijden dat God nog gedenken wil. Dat God rechtvaardig is, dat God een God is Die de zonde straft en schuldigen geenszins onschuldig houdt.
Zij mogen zich verblijden in de oordelen Gods over de onrechtvaardigen.
Want hoe groot de schuld ook was van het volk Gods, dus van Israël, de Heere is geen ledig aanschouwer.
Hij kan niet toelaten dat Zijn volk wreed geweld wordt aangedaan.
Nee, al is die schuld ook nog zo groot, Zijn gerechtigheid is veel groter.
O, het gehele boek getuigt van het komende gericht, het gericht dat ook gekomen is. Want in het jaar 612 vóór Christus is Ninevé ook geheel verwoest.
Ja, hetgeen dat uit Zijn lippen gaat, dat is vast en onverbroken. Deze prediking is ook een boodschap voor Juda, ook zij zal door God getuchtigd worden, als zij doorgaat om de goden der Kanaanieten te eren en te dienen.
Als zij zich blijft buigen voor de Baal , een god die oren heeft en niet horen kan, die handen heeft en niet tasten kan.
Die voeten heeft en niet gaan kan. Deze god is geen god en daar buigt ook Juda haar knieën voor; daar had Efraïm — het tien stammenrijk — zich voor gebogen.
Daardoor hadden zij zich Gods gramschap, waardig gemaakt.
Vandaar dat Nahum nu ook tot Juda zo dringend spreekt; zij zien toch wel dat God een God is, die niet met zich Iaat spotten.
De voorbeelden daarvan zijn toch talrijk en daarbij komt nog dat God het zelfs nu nog laat bekendmaken.
Daarom zegt Nahum in het zesde vers: „Wie zal voor Zijn gramschap bestaan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan?
Als die God Die heilig is, met Zijn gerichten doorgaat en Zijn toorn over ons uitgiet, ach wie zal dan bestaan?
Wat zal er dan van Ninevé en Juda overblijven?
Als God nu eens doortrekt met Zijn gerichten, wat zal er dan van Nederland, van ons volk overblijven, ja wat zal er van de kerk overblijven, van ons gezin, van ons persoonlijk leven?
Nee, het is in deze tijd niet veel beter gesteld met Nederland als in de dagen van Nahum met Juda en Israël.
Ons volk dat vergeet de God der vaderen en buigt zich neer voor de afgoden van rondom.
De afgoden van materialisme en het hedonisme worden openlijk gediend.
En voor de afgoden van de sportverdwazing buigen we onze knieën.
Doch laten we maar eens zien op ons zelf.
Wie draagt er leed over de brute Godsverlating; wie draagt er leed over dat Zijn bedehuizen gesloten moeten worden, omdat er geen belangstelling is voor de Dienst des Heeren?
Wie draagt er leed over dat de wolven in schaapskleren bezig zijn de gemeente Gods te verderven?
Dat Zijn Woord, het Heilig Evangelie veracht en verscheurd wordt?
Wie draagt er leed over dat velen wegzinken in een losbandige goddeloosheid of in een verstarde rechtzinnigheid?
O, wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan, wie voor Zijn gramschap?
Dan zullen wij voor die God ook niet kunnen bestaan!
Wij zullen om eigen schuld dan ook verloren gaan, vanwege de keus, de levenswandel die wij begeerd hebben.
Waar wordt nog een mens gevonden, die het leed doet dat God verlaten wordt?
Nee, laten we niet in de eerste plaats de schuld bij de wereld zoeken die door God verlaten wordt.
De schuld ligt bij de kerk, die ligt bij ons.
Immers wat gaat er van de kerk nog uit, welk getuigenis geeft zij? Weet de wereldling waar wij wonen en werken?
Is er dan geen oorzaak om het hoofd in de schoot te leggen, zeggende: “Heere, Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig”.
Waar wordt het gebed gevonden voor volk, kerk en vaderland?
Dat gebed, wat immers zoveel vermag.
Denk b.v. aan de straffende hand Gods en het murmurerende volk Israël in Numeri 17: hoe Mozes en Aaron stonden tussen God en het volk en de plaag werd opgehouden.
Zo moeten ook wij staan tussen God en het volk als de Kerk des Heeren op aarde, en onze gebeden opzenden tot die God, opdat God daardoor in genade op ons kan neerzien.
Juist in het aflaten van de Heere ligt de oorzaak van de steeds grotere geesteloosheid.
De kerk is bezig om mee te doen met het materialisme, is bezig om mee te gaan met de geest van deze eeuw.
Waar is nog het gebed of God Zijn Woord wil zegenen, of Hij zondaren wil bekeren, of Hij oefeningen des geloofs wil schenken?
Of Hij kracht wil geven pal te staan tegen de geest van de wereldgelijkvormigheid, die onze gezinnen overspoelt?
En onder dit alles is de vorst der duisternis bezig om zijn zaad, hetwelk onkruid is, uit te zaaien, opdat Gods Woord verstikt onder de doornen.
Daarom moet ons gebed dagelijks wel zijn: „och of Gij de hemelen scheurde en of Gij nederdaalde”.
Als dat ons dagelijks werk zou zijn, zouden we niet zoveel tijd over hebben, ook als ambtsdragers niet, om ons bezig te houden met zaken die van minder belang zijn.
Laten wij bidden om de vrede van Gods gemeente en de uitbreiding van Zijn heerlijk Koninkrijk.
Daar zal de Heere ook Zijn zegen op geven en dan zal in het midden van onze gemeenten Zijn rijk worden uitgebreid.
Daarom moeten wij waakzaam zijn en strijden met de twee zwaarden die de Heere gaf, nl. Zijn Woord en het gebed, en die zwaarden niet laten verroesten.
Als dit gedaan wordt, zal Gods zegen ontvangen worden, dat heeft de Heere Zelf gezegd.
Dat mag Nahum ook zeggen, nl. “de Heere is goed, Hij is tot sterkte in de dag der benauwdheid en Hij kent degenen, die op Hem betrouwen”.
Zoals God enerzijds een God vol van recht is, zo is Hij anderzijds een God vol van genade en ontferming.
De tekst zegt: „die op Hem betrouwen”. Voor al dege-nen, die het van Hem mogen verwachten, is Hij een God vol van genade en ontferming.
Zij die het oordeel mogen waardig keuren, zullen verstaan dat er bij God uitkomst is, zelfs tegen de dood.
Voor al degenen die op Hem betrouwen is de Heere goed.
God is goed voor die Hem vrezen.
Wanneer wij die God leren kennen in Zijn recht en gerechtigheid, zullen wij Hem ook mogen leren kennen in Zijn genade en ontferming.
De Heere is goed, omdat Hij Zelf in de Zoon van Zijn eeuwige liefde een weg heeft uitgedacht om met mensen, die onder het oordeel des doods liggen in gemeenschap te treden.
In Christus is nu ontkoming tegen het naderende verderf, tegen het komende oordeel.
Vandaar dat wij Hem ook moeten leren kennen, want alleen in Hem is die God, Die met de zonde geen gemeenschap oefenen kan, een God vol genade, is de Heere goed.
Dan is Hij een sterke hulp in de dag der benauwdheid, opdat Hij daaruit verlossen zou.
Vandaar dat die God het zo waardig is om gediend te worden.
Om Hem te kennen als het allerhoogste en eeuwig goed.
Immers alleen daar is toekomst, daar is leven, waar leven uit God ontvangen wordt.
Ja, de Heere is goed, die God is een God vol van genade en ontferming.
Hij had naar recht het gehele mensengeslacht weg kunnen laten zinken in een nacht van stikdonkere duisternis, in een nacht van eeuwig wee.
De Heere is goed, want het behaagde Hem om een gedeelte van dit mensengeslacht te verlossen en te bewaren, opdat zij Zijn lof zouden vertellen.
Daartoe opende God nu Zelf een weg in het zenden van Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus.
Daarin is nu leven voor Adams zonen en dochteren. O, is de Heere dan niet goed ?
Ja, Hij is oneindig goed, vol genade en ontferming, zo roept een jongen of meisje uit, die in zichzelf moest getuigen: voor mij is er geen hoop en verwachting meer.
Doch daar gaf God Zelf uitkomst.
Ja, de Heere is goed: „het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen”, opdat wij behouden worden.
Zie, dat is toch eeuwig groot, dat God Zelf nu de weg opende en dat juist daar wilde doen waar wij dachten voor eeuwig om te komen.
Zie, de Heere is goed voor allen die Hem vrezen.
“Hun blijdschap zal dan onbepaald, door het licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen”.
De Heere is ook ter sterkte in de dag der benauwdheid.
Wat kan het een blijdschap geven als wij in zorg en moeite verkeren en dat we dan weten mogen dat er Iemand met ons meeleeft, met onze zorg begaan is.
Welnu, dat is nu de grote kracht en blijdschap in het leven van Zijn kerk, in dit woestijnleven, dat God nu Dezelfde blijft, dat Hij tot sterkte is, tot ondersteuning is.
De Heere is tot sterkte. Dat wil eigenlijk zeggen: de Heere is tot een Vesting, tot een Schuilplaats voor allen die op Hem betrouwen.
Zie, dat is nu de enige en volkomen schuilplaats die bescherming geeft, die in deze schuilplaats is gezeten, zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
En Hij kent hen die op Hem betrouwen.
Hij weet waar het hart naar uitgaat. Ja, “Hij is al treft u het felst verdriet, uw Wachter, die uw voet, voor wankelen behoedt”.

Wijlen ds. A. Bac (1940-2010)