De hemelse Uitlegger

Legde Hij hun uit.

Lukas 24:27m

Er zijn op deze wereld vele uitleggers op allerlei gebied.
Maar van deze Uitlegger in de tekst van onze overdenking kan alleen gezegd worden dat Hij de Enige is.
Deze Uitlegger is de oudste, maar die blijft ook in alle eeuwigheid.
Wij kunnen ons over de uitlegging van uitleggers verbazen, die getuigenis geven van een goede kennis van zaken.
Maar van deze Uitlegger moet gezegd worden dat Zijn verstand geen einde heeft.
Daar Zijn verstand nooit af te meten, ver overtreft al wat wij weten.
Hij heeft door de dienst van één van Zijn uitleggers laten getuigen: “De HEERE bezat Mij in beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.
Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van de aanvang, van de oudheden der aarde aan”.
Beschamend is dit getuigenis, want dat zegt ons dat er een Uitlegger nodig is.
Deze was ons niet nodig toen wij volmaakt uit de handen van onze Schepper zijn voortge-bracht.
Wij waren versierd met het “Beeld Gods”, bestaande in volmaakte kennis, gerechtigheid en heiligheid.
Toen kenden wij God onze Schepper, zoals wij van Hem gekend zijn. Maar door onze diepe val in Adam zijn wij God en Zijn Beeld kwijt en liggen we midden in de dood.
Geen verstand van God en Goddelijke zaken.
Maar wat een eeuwig wonder dat God al van eeuwigheid in Hem de weg had ontsloten om Zichzelf uit vrije gunst en genade te openbaren en te verklaren.
Dat gebeurt in onze tekst aan twee mensen die aan de avond van de eerste dag van de week op reis waren van Jeruzalem naar Emmaüs.
God verklaart en openbaart Zichzelf in Christus door Zijn Woord en Geest in de harten van verloren, maar verkoren zondaren.
“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard” (Joh. 1 : 18).
Wat een onuitsprekelijk voorrecht dat de HEERE dit in Hem uit vrije gunst en ontferming wilde doen.
Dat ons door en in Hem de woorden Gods zijn toe betrouwd.
Wat deed ik daar mee? Elihu riep in zijn bestraffing van Job om een hemelse Gezant als Uitlegger.
Een uit duizend. “Is er dan bij hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen; Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden” (Job 33 : 23-24).
Hier is Hij in wie God een volkomen verzoening vond, door Zijn volkomen voldoening aan dat geschonden recht Gods tot uitdelging van de schuld der Zijnen.
Hij is het alleen die het hen kan en wil verklaren, hoe het mogelijk is dat de vloekende Wet zwijgt.
Daarom is Hij er al, voordat zij het weten, dat Hij er is. Om Zijn Vader te verheerlijken en hun de vrede met God te openbaren, die alle verstand te boven gaat.
Die verklaring konden de vrouwen niet geven, al moesten zij van Hem spreken dat Hij van de doden was opgestaan.
Ook Petrus en Johannes konden de macht van het ongeloof niet verbreken in hun harten.
Maar dat kan en doet Jezus alleen!
Hij overwon de dood, maar overwint de geestelijke dood ook in de harten van de Zijnen in het uur van Gods welbehagen.
Daarom leert dat volk met al hun doodsvruchten tot de levende Jezus vluchten, om het van Hem te verwachten.
Die mildelijk geeft en nooit verwijt. Aan wie Hij dat allemaal wil uitleggen?
Aan degenen die op Zijn leerschool zich hebben leren kennen, zoals zij van Hem zijn benoemd: O, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! (vs. 25).
Leerde u zich als zo één kennen?
Door Hem die het ons gaat ontdekken, door de zaligmakende bediening van de Heilige Geest, dat wij van God en goddelijke zaken geen verstand hebben.
Ontzettend is de geestelijke onkunde die ons aller deel is, omdat wij verduisterd zijn in ons verstand.
Door de arbeid van Hem wordt het in ons leven waar wat één van Gods kinderen moest belijden: “Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen mensenverstand; En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend” (Spreuken 30: 2-3)
Maar als dit doorleefd wordt op de leerschool van het geloof, dan zien we uit naar dit dierbare onderwijs, dat die overste Leidsman en Voleinder des geloofs ons alleen kan schenken, hoewel wij dat onwaardig zijn.
Hij is er al, voor dat zij Hem kenden!
Wat een heerlijk onderwijs wil, kan en zal Hij schenken tot de verheerlijking Gods.
Wat dit onderwijs omvat?
“En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was”.
Weten wij van dat goddelijke begin in ons leven?
Wij zitten van nature ook op een leerschool, dat is de school die wij hebben gekozen!
De leerschool van het kwaad, dat is de zonde.
Naar het goede vragen en zoeken wij niet.
Maar dat zoekt en verheerlijkt de God des hemels, in Hem, Die van de Vader gegeven is, om zulke dwazen wijs te maken tot zaligheid.
De leerstof is van God gegeven en handelt over datgeen wat God geopenbaard heeft, toen wij het verbond met God in Adam hebben verbroken.
Begonnen hebbende van Mozes!
Nee, de HEERE werkt niet over de schuld heen, maar zal het ons ordentelijk voor ogen stellen.
Wat moeten wij anders met de woorden van Zijn genade doen, als wij van schuld en zonde niet weten!
Christus onderwijst deze leerlingen die vaak nog zo blind zijn in de enige Weg ter ontkoming van het rechtvaardige oordeel Gods.
Hij moet die bron van alle heil en zaligheid ontsluiten, dat zijn de schriften die van Hem getuigen.
Maar meer! “Toen opende Hij hun verstand opdat zij de Schriften verstonden” (vs. 45).
Wat een onderwijs heeft de HEERE al aan ons, tot het heil van onze onsterfelijke zielen, ten koste gelegd!
Wat zal dat toch zijn als wij op zo’n zaligheid geen acht hebben gegeven.
Hoor toch wat Hij Zelf ons daarvan zegt.
“En indien iemand Mijn woorden gehoord en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zaligmaken.
Die mij verwerpt en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.” (Joh. 12:47-48).
“Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;
Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer;
Welzalig zij, die vast, op Hem betrouwen.”

Ds. J. W. Verweij  (emerituspredikant)