De les van de mier

Haar brood bereidt in de zomer

Spreuken 6:8a

De wijze Spreukendichter Salomo zag veel beelden in de natuur.
De natuur is een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen (NGB, art. 2).
In deze tekst gaat het over een zeer klein diertje, namelijk de mier.
Dat kleine dier is vol ijver bezig in de zomer. We zien dat vaak in en rond ons huis. In de winter zien we ze niet.
Dan is er voor die diertjes geen gelegenheid om bezig te zijn.
Ze kiezen dus de juiste, de meest geschikte tijd. De zomer. Dan verzamelt de mier de spijze voor de winter.
Korengraantjes, zo zegt de kanttekening, vergadert ze bijeen. Die korengraantjes worden beknabbeld en stukgebeten.
Zo wordt voorkomen, dat die graantjes weer uitschieten. Heel de zomer zijn de mieren daarmee bezig.
Alles brengen ze naar hun onderaardse nesten, zodat ze in de winter, als er geen voedsel te vinden is, voldoende voorraad hebben.
Wat een ijver door haar (instinctmatige) wijsheid.
Salomo trekt uit de ijver van de mieren een les voor de mens. Ga eens tot de mier, luiaard! Zie haar wegen en wordt wijs.
De zomer is haast ten einde. Nog zien we de mier bezig, want ze heeft maar weinig tijd meer.
Straks is de zomer voorbij. De oogst voorbij. Dan zijn er geen graantjes meer te verzamelen.
Nu, nu moet het nog gedaan worden. Welke lessen bevat dit voor ons?
De eerste les, die we er uit kunnen trekken, geldt ons gewone leven. Het leven van ieder.
De kracht van ons leven is onze zomertijd. We hebben dan de gelegenheid om, onder de zegen des Heeren, onze krachten te gebruiken.
Door ijverige studie vergaren we de kennis, die ons later in ons leven zo nodig is in ons aardse roeping.
Voor de studie is de jonge leeftijd de zomertijd. Als we dan lui zijn, hebben we daar later spijt van en maken we onze ouders beschaamd.
Door ijverige arbeid in onze gezonde jaren hebben we de gelegenheid te zorgen voor de oude dag, of voor dagen waarin we met zorg en ziekte hebben te kampen.
Als we die tijd in luiheid en wellust doorbrengen, laten we de geschikte zomertijd voorbijgaan en zullen we dat in de wintertijd van ons leven beklagen.
De tweede les uit dit beeld betreft onze ziel.
Wij hebben, als we leven onder Gods Woord, zolang we onze verstandelijke vermogens hebben, een overvloed van ‘korengraantjes’ om ons heen.
Het is onze zomertijd en volop wordt het graan in de prediking, in het lezen van Gods Woord, om ons heen gestrooid.
Als we die zomertijd verwaarlozen, als we dat Woord verachten, en onze tijd besteden met de beuzelingen van deze wereld, die geen waarde hebben, dan laten we onze kostelijke genadetijd voorbijgaan.
In de natuur is de zomer haast voorbij.
Die tijd is zeer snel gegaan. Zo gaat ook onze genadetijd snel voorbij.
Straks komt de winter. We worden getroffen door een ziekte. De ouderdom met haar gebreken en moeiten, staat voor de deur.
Onze gedachten worden minder. De beste tijd van ons leven is voorbij. Nog erger, als ons leven wordt afgesneden.
Dan komt de winter van een eindeloze eeuwigheid.
Ga tot de mier! Zie haar wegen en wordt wijs.
Laat uw lieflijke genadetijd, de zomertijd van uw leven, niet voorbij gaan.
Zoekt nu nog met God verzoend te worden. Neemt getrouw de middelen waar. Leest en onderzoekt Gods Woord.
De Schriften, die van Mij getuigen, zegt Christus.
Er is ook een les in het beeld van de mieren voor Gods volk. Als Gods kinderen wandelen in de eerste liefde, is het hun zomertijd.
Velen van Gods kinderen moeten inleven, dat er na de zomertijd een wintertijd komt.
Een wintertijd van geestelijke dorheid, koudheid, soms gevoel van verlating en verberging van Gods aangezicht.
Als het uw zomertijd is, vergaar dan voedsel voor de wintertijd.
Zoekt dan de verborgen omgang met God. Beknabbelt dan dat Woord, als de mier. Vermaalt het.
In dat Woord vindt u het Tarwegraan, Christus. Hoe meer u dat in uw zomertijd ‘beknabbelen’ en ‘vermalen’ mag, hoe meer geestelijke oefeningen u ontvangt.
Hoe meer u uit Zijn volheid genieten mag, hoe meer u Zijn smaak en reuk ervaren mag, hoe meer u met Hem verzadigd wordt, hoe meer u in Zijn verbrijzeling (Jes. 28:28) het heil voor uw ziel vindt.
Troost in Zijn menswording, waarin Hij uw zonde, waarin u ontvangen en geboren bent, bedekt.
Troost in zijn Godheid, waardoor Hij machtig is te verlossen.
Troost in Zijn gewilligheid om uw Zaligmaker te zijn.
Troost in Zijn lijden en sterven, waarin Hij uw vloek droeg, uw schuld betaalde, Gods toorn voor u uitbluste, uw vijanden overwon.
Troost in Zijn heiligheid, die Hij u deelachtig maakt en waardoor Hij al uw gebrek, geheel uw onverbeterlijk bestaan bedekt.
Troost in Zijn verhoging. Zijn opstanding, waarin uw vrijspraak ligt.
Zijn overwinning over de dood, die laatste vijand, die u nu wel aangrijnzen, maar niet verslinden kan.
Zo is nog veel meer te noemen. Onuitputtelijk is de spijze, die in dit Tarwegraan te vinden is.
Deze geestelijke Spijze kan u in uw wintertijd tot groot nut zijn. Dan komt de Heere wel eens terug op hetgeen u in uw zomertijd mocht leren.
Dat bewaart voor wanhoop, geeft kracht tegen satans helse kwellingen en de beroeringen van het geweten.
Troost u in uw diepste smarten en doet u hopen op en verlangen naar de volmaaktheid, naar de plaats, die Hij u bereid heeft in het Vaderhuis met zijn vele woningen.
Lezer(es), de zomer is haast voorbij. Neem de les van de mieren ter harte.

Ds. G. Hoogerland (Rotterdam-IJsselmonde)