De enige Levensbron

Indien gij de gave Gods kendet, en wie Hij is Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben.

Johannes 4:10

Onze tekst herinnert ons aan de Jakobsbron, aan het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw.
Zie, dat woord wil Christus bevestigen aan het Avondmaal.
Daar nodigt Hij Zijn hongerig en dorstig volk om tot Hem te komen, opdat het uit Hem verzadigd zal worden.
Wie zijn nu de ware Avondmaalgangers die genodigd worden aan de tafel des Heeren?
Ons formulier en onze catechismus zeggen het zo duidelijk: ten eerste ontdekking aan de schuld.
Die vrouw kende Jezus niet.
Zij staat vijandig tegenover Hem. Ook ons hart is vreemd van en vijandig tegen Christus.
Wij willen niet uit genade zalig worden. Waarom niet? Omdat wij onszelf niet kennen als schuldenaars, tenzij de Heilige Geest ons krachtdadig en onwederstandelijk daarvan overtuigt.
Er is wat omgegaan bij die overspelige vrouw toen een bliksemschicht van Gods alwetendheid door haar ziel is heengegaan.
Toen is haar hele leven, haar doen en laten, alles wat zij had gedaan, openbaar geworden. Zij kreeg met God te doen!
En zo is het nog in de overreding van de schuld.
Het is net, alsof wij ons gehele leven krijgen te overzien van de prilste jeugd aan.
Een mens moet tot God bekeerd worden, door schuldbesef getroffen en verslagen.
Arme lezer, wie dat niet kent en wiens kennis van schuld niet naar Christus dreef, maar die in algemene overtuiging tot rust is gekomen.
De Heere mocht u overreden en overtuigen van uw schuld en van de ontzettende staat waarin een mens wordt geboren.
Opdat u ook een Borg voor uw ziel mocht benodigen en u zich niet zou scharen onder de naamchristenen.
Indien gij de Gave Gods kende….. Christus begeren, dáár loopt het met die vrouw op aan.
Zie de onderhandelingen die de Heere met haar heeft. Als zij getrokken is, vraagt ze naar de dienst van God, net als al het overtuigde volk.
Dat volk krijgt een innerlijk vermaak in Gods inzettingen.
Dat is één van de eerste eigenschappen. Beproef u er aan.
Zó ligt het in het hart van Gods kinderen. Denk eens aan uw eerste tijd: o, dat schuldenaar zijn voor God; en als zij dan in de kerk zaten, waren ze soms zo jaloers op dat volk aan het Avondmaal.
Vaak zijn er zoveel aanmerkingen: Gaat die er óók aan, en die? Maar dat zal elk voor zichzelf te verantwoorden hebben.
Echter, zij zien dat niet en zeggen: Dat is het volk van God, en wat ben ik ongelukkig; och, Heere, mocht ik eens een plaats krijgen aan Uw tafel.
Een tweede eigenschap is dat Christus Zich openbaart.
Er zijn onderhandelingen die over Christus gaan. Hij zegt: “Ik ben het, Die met u spreekt”.
Wij zijn hongerende en dorstende, wij zijn leeg, omdat wij God kwijt zijn.
En een mens kan buiten Christus nooit levend water verkrijgen voor zijn ziel. Maar dat geldt in zekere zin ook van alle zoete gestalten die wij hebben, ook als het in waarheid is.
Buiten de gelovige kennisnemingen van Hem in het hart kunnen die gestalten en die bevinding hun ziel niet verzadigen.
Wij nodigen aan het Avondmaal met het liefdesbevel van Christus dat volk dat het leven in eigen hand niet meer heeft kunnen houden.
En dat niet op grond daarvan dat zij dit gevoeld en dát ondervonden hebben. Nee, maar op grond daarvan dat er een volheid in Christus is, dat zij met al hun schuld en zonde – met de koorden der veroordeling om de hals – al hun zaligheid in Christus zien.
Hij zegt: Ik heb het levend water; uw dorstende ziel zal Ik verzadigen.
Indien gij het van Mij begeerd zou hebben, zou Ik het u gegeven hebben.
Dorstende zielen, bekommerd volk van God, twijfelmoedigen, omdat u in uw gestalten niet rusten kunt – o, dat uw oog op Christus geslagen zij om van Hem dat levende water te begeren, opdat Hij het u geven zal.
O, dan wordt het zo vol in Hem, zo ruim, bestreden ziel, van wie de vijand zegt: Gij hoort aan die tafel niet!
Jezus zegt: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”. Als Christus Zich openbaart, wordt het zo anders en dan keert zich het hart tot Hem.
Maar u moet niet menen, dat zij het voor het grijpen hebben. Straks zeggen ze weer: Zou het van de Heere geweest zijn?
Maar ik hoor anderen zeggen: Daarover gaat het bij mij niet meer, maar, o, dat ontzettende: nog buiten Christus te zijn en die kloof te zien die er gaapt; doch Hij is het gepaste Voorwerp, in Hem is alles; zou ik aan dat Avondmaal kunnen?
Het kan soms wezen dat zij zeggen: Er zal niemand zwaarder oordeel ontvangen dan ik, zo nabij en toch nog buiten.
Want zij staan buiten Hem, wat de toeeigening betreft.
Niet aan de zijde Gods.
En als zij de slotsom moeten opmaken aan hun zijde, dan wordt het soms bang.
Maar er staat in onze tekst: Ik zou het u gegeven hebben.
Volk van God, nooddruftigen wil Hij verschonen; aan armen uit genade Zijn hulpe ter verlossing tonen; Hij slaat hun zielen gá.
Leg aan één kant al uw tekort, al uw schuld en zonde en aan de andere zijde de volheid van Christus.
Is die niet genoeg voor u? Wij, midden in de dood – Hij, de enige Levensbron, Die zegt: Ik zal u het levend water geven.
En dan zal Hij Zijn Woord niet schenden. Ik zou het de ganse Kerk wel willen toeroepen: Uw Heilzon is aan ‘t dagen!

Wijlen ds. G. H. Kersten (1882-1948)