De rust van Gods Kerk

“Er blijft dan een rust over voor het volk Gods”.

Hebreeën 4:9

Lezers, de rust waarvan deze tekst spreekt is niet de rust na een dag van werken, of de rust van de slaap.
Het wijst ook niet de ijdele rust aan van vele werkschuwe mensen.
Het is ook geen weergave van wat op duizenden grafstenen staat ingegrift.
Het gaat over de rust van Gods kinderen.
In het begin van het vierde hoofdstuk lezen wij: Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van U schijnt achtergebleven te zijn.
De Heere wijst daar naar de rust in het beloofde land. De rust is geen werkloze rust, maar een actief zich vermaken in God en Zijn dienst.
Als voorbeeld gebruikt de apostel de rust van God na het werk van Zijn handen. Het rusten des Heeren was een Zich heilig vermaken in Zijn werken.
Zo zal de rust van Gods volk zijn een zich innerlijk vermaken in de werken Gods.
Over deze rust willen wij iets gaan schrijven.
Het eerste wat wij overdenken is de rust van de mens in de staat der rechtheid dus het zich vermaken in de werken Gods.
De mens leefde in onmiddellijke gemeenschap met Zijn Schepper en Verbondsgod.
In het heilig vermaken in Gods werken en wet was de zaligheid gelegen en daarop was het onverliesbare leven beloofd.
Deze rust heeft de mens verloren. Hij heeft de dienst van God opgezegd en zich moedwillig verbonden aan de dienst van de duivel.
Daarmee werd alle ware rust de mens ontnomen.
Zeker in dwaasheid en verblindheid meent hij rust te hebben gevonden buiten God. Maar dat is gevolg van de ingeving van de satan.
Als hij zich eerlijk onderzoekt zal hij moeten belijden een onrustig mens te zijn.
Vooral in onze dagen, nu de Heere Zijn algemene goedheid komt in te korten, merken wij de onrust die de mens bezet.
Door de val is de mens de onrust opgelegd. Wij zien het in Adam.
Hij vluchtte al bevende voor het aangezicht des Heeren. Zo leeft de mens zijn staat uit op weg naar de eeuwigheid.
Hij zal in de eeuwige onrust zijn leven eindigen als God het niet komt te verhoeden.
Het genadewonder openbaart zich in het leven juist met het kenmerk van onrust.
De Heere ontdekt immers de gescheiden staat van God en de ras naderende eeuwigheid.
Nu heeft de stilgehouden zondaar geen rust meer voor het hol van zijn voet.
De eigen gemaakte kleding kan de schaamte niet bedekken en de rust voor God niet geven.
Wat is het een wonder als de Heere de zondaar aanspreekt en hem niet dadelijk verdoemt.
Hij ondervraagt de zondaar en roept hem uit de schuilhoek van zijn leven.
Hoor, daar klinkt het in de hof: “Waar zijt gij? ” Op deze roepstem moet hij tevoorschijn komen.
Hij kan zich niet meer bedekken. Hij moet uitroepen: Ik ben naakt en daarom verborg ik mij.
Toch heeft hij zijn klederen van bladeren aan, maar deze kunnen zijn zonde, schuld en schaamte niet bedekken.
Zijn vlucht van God af blijkt ijdel te zijn en zijn bedekking waardeloos.
Rechtvaardig had de Heere nu kunnen straffen en doen beërven de ontzaggelijke gevolgen van zijn afval van God.
Maar de Heere zocht Adam niet op om hem te verderven, maar om hem in een rechte weg terug te brengen en de eeuwige zaligheid te schenken.
Hoe dit mogelijk was in overeenstemming met Gods rechtvaardigheid werd aangewezen in de komst van het Vrouwenzaad.
Daardoor kon de gevallen en opgezochte en tot God teruggeleide mens weer hersteld worden in de gemeenschap met God.
Zo wijst de Heere de weg aan naar de rust en wie deelgenoot worden van de rust.
Op deze aangewezen weg der zaligheid hebben de gelovigen onder het Oude Verbond gehoopt en ze zijn niet beschaamd uitgekomen.
Abraham heeft met verheuging Zijn dag gezien. Deze aangewezen rust in het vrouwenzaad is beloofd aan al Gods kinderen.
Zo leert de Heere in de geschiedenis van Israël langs welke weg zij tot de rust in het beloofde land worden geleid.
Het volk der belofte leefde immers onder de druk van de slavendrijvers in Egypte.
In harde dienst waren zij bezig aan een onmogelijk werk, namelijk om de slavendrijvers te bevredigen.
Nooit hadden zij in deze weg rust gevonden als God niet Zelf hen had vrijgemaakt.
Wel doorleefde het volk de harde slavendienst. Maar hoevelen in onze dagen leven gerust in de slavendienst van de satan?
Het was de Heere, die de nood deed gevoelen en deed roepen tot de Allerhoogste.
De Heere verloste hen door een sterke hand. Maar om te kunnen delen in de rust van het land der belofte moest eerst nog een woestijnreis worden gemaakt.
De Nieuw Testamentische gemeente is onderwezen aangaande de rust in een gekomen, geopenbaarde, lijdende en opgestane Christus.
Christus heeft alles volbracht.
Hij heeft de volkomen rust verworven. Wat Hij verwierf, past Hij ook genadig en soeverein toe in de harten van Zijn kinderen.
Rust is de vertaling van het Griekse woord: “Sabbatismos”; dat is een weergave van echt, wezenlijk vermaak in God en Zijn werk.
Er is dus een volk op de aarde dat in het dienen van God een vermaak en een zoete rust heeft.
Wie van ons heeft daar kennis aan?
Deze vraag moet gesteld worden omdat de Heere in de tekstwoorden daar Zelf op wijst.
Er blijft een rust over voor het volk van God. Rust voor het volk van God. Wie zijn ze? En, hoe beleven zij deze rust?
Voor velen is dit een ergernis. Het onderscheid begeert de mens van nature niet.
Gods Woord is er echter maar al te duidelijk in. Het is niet alles Israël wat Israël genaamd wordt.
Ezau was besneden, ook Saul en met hen velen. Toch zijn zij in de vrucht van het leven openbaar geworden als vijanden van God en zijn genade.
Er blijft dan een rust over voor het volk van God.
Het is nodig om dit te onderzoeken. Immers het ware volk Gods heeft zo vaak strijd over de vraag of zij wel waarlijk tot dit volk behoren.
Enkele gedachten gaan wij daarom na. Wat is dit volk in hun afkomst?
Kinderen van Adam en daarom verbondsbrekers. Zij zijn met de gehele wereld verdoemelijk voor God.
Hun levenselement was als een vis die zijn vermaak heeft in het water.
Zo leefde ook zij in de wateren van zonde, van wereld of van eigengerechtigheid.
Doch door een almachtige daad des Heeren werden zij getrokken uit de doodstaat en overgezet in het nieuwe geestelijke leven.
Heilig rusteloos gemaakt konden zij nergens bevrediging vinden.
Alles in hun leven ging veroordelen, rust noch vrede werd gevonden onder het hol van hun voet.
De wetenschap tegen een rechtvaardig en goeddoend God te hebben gezondigd ontnam alle levensvreugde en deed uitzien of het de Heere behagen mocht om te zien naar hen die nooit naar God hadden omgezien.
Maar hoe wonderlijk was het voor hen toen de Heere uit Zijn Woord ging onderwijzen en heenwijzen naar Goddelijke gedachten des vredes, naar de zaligheid in een Ander.
De Rustaanbrenger werd aan hen voorgesteld en het hart werd vervuld met een innige betrekking op Hem.
Door het Woord werden zij gelokt: Komt herwaarts tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.
Iets van de rust in Hem werd ervaren en gaf in de ziel het verlangen om meer van Hem te mogen kennen.
Ze werden geleid langs de weg van lijden en sterven naar de oorzaak waarin de rust werd bevestigd.
Daar waar God in bevredigd werd, werd ook de rust van Gods kinderen gevonden, namelijk in het volkomen werk van Christus.
Want dat was noodzakelijk om God te bevredigen. Wie zou de prijs der ziele, dat rantsoen voor God in tijd en eeuwigheid voldoen?
Hoe nodig werd voor de ziel de verdienste van Christus. De ware rust is toch daar waar zij mogen weten dat hun zonde zijn verzoend en de straf is gedragen en de schuld betaald, en dat op grond daarvan de gemeenschap met God weer hersteld is.
Het wonderlijke rusten in het volbrachte werk van Christus geeft altijd voorsmaken van het hemelleven en doet uitzien naar de volkomen rust in God.
Er blijft dan een rust over voor het volk van God!
Deze tekst bevat een belofte voor de toekomst.
Immers de woestijnreis zal niet altijd duren.
Er komt een einde aan het vreemde-lingsleven. Temidden van de onrust van dit leven mag de moede reiziger naar het hemelse Kanaän het hoofd wel eens uit de gebreken opheffen.
De Koning van de kerk heeft overwonnen, Hij is nu verheerlijkt aan de rechterhand van Zijn Vader.
Hij is in alles voorgegaan. Ook voorgegaan in het heiligdom.
Daar aanschouwt Hij het aangezicht van Zijn Vader en deelt storeloos in Vaders gemeenschap.
Nu het Hoofd boven is, moet het lichaam volgen. Het is gegrond op de toezegging van de Koning: Ik ga heen om u plaats te bereiden.
Rust, Pelgrim, rust. De strijd die is gestreden.
Heft uw moede hoofd omhoog, ‘t meeste is geleden.
Rust, o Pelgrim, rust. Er blijft dan een rust over voor het volk Gods. Ook voor u en mij?

Wijlen ds. P. Blok (1920-2019)