De tweede reize

En in de tweede reize werd Jozef aan zijn broederen bekend.

Handelingen 7:13a

Geliefde gemeenten, jong en oud, we leven weer in een tijd van veel reizen en trekken.
Al zullen anderen onder ons ook thuis blijven. Wel geldt voor ons allen dat we op reis zijn naar de eeuwigheid.
De Heere moge ons allen, thuis maar ook elders, bewaren voor de zonde, maar meest voor een onverwachte en onverzoende dood.
En besef gemeenten, dat Gods ogen ons overal zien.
Tot troost voor een biddeloos volk die de Heere toch niet kunnen missen.
Maar mag het ons ook zijn tot bewaring zodat we ons elders niet anders gedragen dan thuis.
In onze tekst gaat het ook over een reis.
Het is een reis waar Stéfanus van spreekt tegenover het Joodse Sanhedrin dat hem gevangen heeft genomen.
In die reis, zo zegt Stéfanus in zijn rede, gebeurt er een groot wonder. Na 22 jaar zien de broers hun ver-kochte broer Jozef weer terug.
Let op wat er staat. Dat is pas in de tweede reize. Dus daar is een reis aan die ontmoeting vooraf gegaan.
Eerst wilde hij hen beproeven. Eerst wilde hij onderzoeken of ze nog zo haatdragend waren.
Ja, eerst onderzoekt hij of er wel plaats is bij hen om zichzelf aan hen bekend te maken.
Daarom pas op de tweede reize maakt Jozef zich aan zijn broeders bekend.
Deze mannen mogen in hun reis hun broer weer zien. Wat zal dat een ontmoeting geweest zijn.
Wat zullen wij zien in de komende weken? Sommigen onder ons maken verre reizen om veel natuurschoon te zien.
Maar ook dichtbij kan Gods schepping worden bewonderd als we er maar ogen voor krijgen.
Toch van alles wat we zien geldt ten diepste dat het ons hart niet verzadi-gen kan.
Gelukkig de mens die waarlijk zijn leegheid en armoede buiten God en zonder God mag inleven en verstaan.
Die de nood opgebonden krijgt op reis te zijn, met allen die hen lief zijn, naar de nimmer eindigende en allesbeslissende eeuwigheid.
Die als een arme zondaar de Heere achteraan roept met de bede: “Zie op mij in gunst van bo-ven en wees mij toch genadig Heere!”
De broers mogen op de tweede reis Jozef ont-moeten als hij zich aan hen bekendmaakt.
En dit is een heerlijk beeld van de bekendmaking van de Meerdere Jozef aan Zijn kinderen die Hij van eeuwigheid heeft liefgehad.
Dat volk dat naar Gods welbehagen in het uur der wedergeboorte getrokken wordt uit de duisternis.
Die leren reizen op dat smalle pad ten leven. Die kennen in hun leven ook een “eerste reize”.
Dat is die “reize” waarin de Heere hun gemis, hun zoeken, hun tranen en hun eigengerechtigheden als grond voor de eeuwigheid gaat afbreken.
Op die “reize” leren ze dat ze een arme en schuldige zondaar zijn.
Op die “reize” leren ze: “wij toch rechtvaardig wij ontvangen straf waardig hetgeen wij gedaan hebben”.
Tijdens die “eerste reize” leren ze: “ik ben vermoeid door mijn grote reis” (Jesaja 57:10a).
Om dan te leren uitroepen: het is buiten hoop!
En zo wordt het waar dat Jozef zich in de tweede reize aan zijn broeders bekendmaakt.
We lezen in Genesis 45 dat Jozef zich toen niet langer kon bedwingen.
Als een heenwijzing dat in die “tweede reize” Die Meerdere van Jozef Zich ook niet langer kan bedwingen om zich aan zulke zielen te gaan openbaren en in een stervend leven ook nader te gaan verklaren.
Dan mogen de zielsogen van zulke mensen iets zien van die beminnelijke Vorst Wiens schoonheid hoog te loven al het schoon der mensen oneindig ver te boven gaat.
De Koning te mogen zien in Zijn schoonheid. Hem zien Wiens naam is Jezus, die verlossen kan, wil en zal van het grootste kwaad, de zonde.
Maar ook brengen kan, wil en zal tot het hoogste goed, dat is Gods gemeenschap.
O, Hij kan zich niet bedwingen op die “tweede reize” om Zich te openbaren aan een doodschuldig, rechteloos, missend en uitgewerkt volk.
Die zal Hij, op Zijn tijd, verschijnen tot hunlieder vreugde.
Kom, mogen we voor het eerst of opnieuw in deze tijd van reizen en trekken zulk een “eerste en tweede reize” in ons leven leren kennen.
Omdat Christus, de Meerdere Jozef, zich aan onze ziel mocht gaan bekendmaken.
Dan zou uw ziel verzadigd worden en uw ogen zalig zijn van het zien.
Dat doet de Kerk uitroepen: “en alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk”.
Geliefden, wij wensen u allen zulk een “tweede reize” toe. Om die Meerdere van Jozef te mogen ontmoeten.
Dan wordt in de ziel iets van de ware rust geboren.

Uw en jouw ds. A. Verschuure