De vergankelijkheid van de mens

“De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij”

Psalm 103:15

Het is opmerkelijk dat de Heilige Schrift spreekt over dagen en niet rekent in jaren.
Mozes spreekt in psalm 90 over de dagen onzer jaren.
En in zijn eerste boek, Genesis, spreekt hij niet over eeuwen die de mensen leefden, maar eveneens over dagen.
Zo horen we ook Jakob voor Farao spreken over de dagen der jaren zijner vreemdeling-schap.
Lezer(es), hoe denkt en rekent u? De dagen van een mens, van u en van mij, zijn als het gras en als een bloem van het gras.
In gedachten moeten we naar het land van de Bijbel om deze beeldspraak te verstaan.
Behalve de twee regentijden, de vroe-ge en de spade (late) regen, is er weinig regen in Israël te verwachten.
En nu moeten we aan die laatste regentijd denken.
Na die regen in maart, april spruit het jonge gras uit de aarde, veelbelovend met name voor mensen met vee.
En tussen dat gras komen ook bloemen op, zomaar in het wild: anemonen, hyacinten, cyclamen, anjers en klaprozen.
Eerst een steel, dan een bloem in knop, vervolgens een bloem met kleur en geur. Tot-dat… de wind erover gaat.
Nee, geen stormwind of orkaan: die bewegen het enkel.
Maar na de regentijd komt de hete zomertijd: de woestijnwind (de Sirocco) begint te waaien en samen met de brandende hitte van de zon verdwijnt alle lentepracht.
De grond verdroogt, het gras kwijnt, de bloem gaat hangen, verwelkt, verzengt en verdwijnt in heel korte tijd.
In de tijd van één dag: een dag met een morgen, middag en avond.
Dat is het beeld van een mens! En u weet wel dat sommigen al in de prille mor-gen van het leven worden weggerukt of in de kracht van het leven moeten afreizen naar hun eeuwige bestemming.
Een aangrijpend beeld van de broosheid van de mens, dat de Schrift ons tekent op vele plaatsen.
Jesaja schrijft over de mens, elk mens, die zo vergankelijk is als gras en al zijn goedertierenheid (al het goede in dit tijdelijk leven) is als een bloem.
“Het gras verdort, de bloem valt af…”.
Ook Jezus spreekt over “het gras, dat heden op het veld is en morgen in de oven geworpen wordt”.
Waarom toch die vergankelijkheid? Zo zijn we niet geschapen!
Als het pronkjuweel van de schepping wandelde de mens in het paradijs.
Daar verdorde geen gras en verwelkte geen bloem. Alles sprak van leven!
Maar de mens heeft door moedwillige ongehoorzaamheid het oordeel van de dood over zich gebracht.
O die aangrijpende drievoudige dood: de tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood.
En allemaal (tenzij de Rechter eerder wederkomt) zullen we die scheiding van lichaam en ziel ondergaan.
Van nature zijn we alle-maal geestelijk dood en als de Heere niet door een Godsdaad in ons leven komt, zullen we eeuwig buiten Zijn gunst en gemeenschap, straf lijden in de hel.
Heeft de Heere u daar al aan bekendgemaakt?
Voelt u hoe ellendig we zijn als we alleen gericht zijn op dat aardse bestaan en van ons leven wat proberen te maken, niet beseffend dat we dan als gras zullen verdrogen en geworpen zullen worden in de oven?
Aangrijpende gedachte… Zeker, we worden geroepen om trouw te zijn op school, op ons werk (als we het mogen hebben en kunnen verrichten) en overal waar de Heere ons plaatst, maar wat een dwaasheid om zo te zwoegen en te slaven in dit leven alsof we niet op weg en reis waren naar de Godsontmoeting!
Wat een dwaasheid om dagen bezig te zijn met vakantieplannen en grote reizen (en ontspanning in deze tijd is nodig) maar niet of nauwelijks bezig te zijn met die reis die we allen maken naar de rechterstoel!
De Zaligmaker Zelf sprak de gelijkenis van de rijke dwaas uit.
Hij rekende met grote opbrengsten en had grote plannen, mooie voornemens en daarna zou hij rust nemen, eten, drinken en vrolijk zijn.
Maar God sprak: “Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?
Alzo is het met dien die zichzelven schatten vergadert en niet rijk is in God”.
Lezer(es) hoe zullen we het maken als we staan voor de doodsrivier?
Zullen we zijn als een Nabal, gevoelloos als een steen? Of als een farizeeer met onze eigengerechtigheid?
Of met de wetenschap dat er een wonder moet ge-beuren maar verder niet?
O, smeek toch om ontdekking, om licht, om genade opdat u met Gods ware volk mag afreizen.
Voor hen is het waar: “…zalig zijn de doden die in de HEERE sterven…” (Openbaring 14:13).
Want de koning der verschrikking is voor hen overwonnen door de Koning der Kerk.
Volk van God: hoe komt het toch dat de dood zo menigmaal verschrikt?
Zeker het is de koning der verschrikking, de laatste vijand.
Of ligt de reden in het feit dat u zo sterk aan de aarde verkleefd bent?
O, dat ook u vaak de dood zult overwegen.
De dood zal de echtheid en sterkte van uw geloof be-proeven, de dood zal de liefde tot God beproeven, de lijdzaamheid, de oprechtheid, de heimelijke en verborgen zonden openbaren.
De Heere geve ons allen dat ware zelfonderzoek in die korte tijd tussen wieg en graf, opdat het een ieder uit zou drijven tot de troon der genade.

Veenendaal, ds. B. Labee