De Vorst van het heir des HEEREN

Voorts geschiedde het als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem en zeide tot Hem: Zijt Gij van ons, of van onze vijanden? En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN; Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zeide tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht? Toen zeide de Vorst van het heir des HEEREN tot Jozua: Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed alzo.

Jozua 5  vers  13  –  15

Israël is door de Jordaan getrokken.
De strijd in Kanaän wacht. Maar vóór de strijd begint moet het verbond worden vernieuwd: de besnijdenis en het Pascha worden opnieuw ingesteld.
Daarna gaat Jozua naar Jericho. Alleen. Deze stad moet worden ingenomen.
Daar staat Jozua. Hoge en dikke onneembare muren rijzen voor hem op.
De Heere heeft hem bemoedigd met de woorden: ‘Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten’ (Joz. 1:5).
Maar nu komt het er op aan. Jozua heeft in zichzelf ook geen kracht.
Als hij ziet op zichzelf ziet hij alleen maar muren van onmogelijkheid. Kent u deze muren ook?
Muren van zonde en schuld, waar je niet overheen kunt kijken.
Muren die je nooit kunt overwinnen in eigen kracht. Wat kun je machteloos staan in de strijd tegen de zonden.
Heeft de Heilige Geest uw ogen al eens geopend voor deze muren? De fundamenten van de muren van zonden liggen in het paradijs.
Als Gods Geest daaraan ontdekt, wordt het zo onmogelijk om verlost te worden van onze zonden en schuld.
Wat is het nodig om voor het eerst, maar ook steeds weer opnieuw te leren dat we in onszelf krachteloos zijn.
Jozua had al grote heldendaden in zijn leven gedaan en toch moest hij telkens inleven dat hij een Ander nodig heeft.
Jozua heft zijn ogen op. De dichter van Psalm 25 deed het ook. ‘Tot U o HEERE, hef ik mijn ziel op… Mijn God op U vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden’.
De Heere laat niet alleen zien op de muren!
De ogen en het hart mogen door genade omhoog gericht worden. Dan ziet Jozua een Man met een uitgetrokken zwaard.
Dit is voor Jozua een geloofsbeproeving. De Heere had immers gezegd: “Wees sterk en heb goede moed.”
Maar nu krijgt hij geloofskracht. Hebreeën 11:34 wordt waar in het leven van Jozua: … uit zwakheid krachten hebben gekregen…’.
Dan lezen we van deze vreesachtige man uit Jozua 1: “En Jozua ging tot Hem en zeide tot Hem: Zijt Gij van ons of van onze vijanden?”
Een wonderlijke vraag. De Man met het zwaard is Christus, de Engel des Verbonds.
Jozua herkent Christus niet. En toch had deze Man als de grote Profeet hem bemoedigd en onderwijs gegeven.
Wat is het toch nodig dat Christus Zichzelf telkens openbaart in het leven van Zijn volk. Jozua vraagt zelfs of Hij een vijand is.
Wat kan Gods Kerk na alle ontvangen genade toch blind zijn voor Christus.
Dan moet Christus Zichzelf bekend maken. En dat doet Hij hier bij de muren van Jericho: “En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN.”
Nu moeten we erop let-ten hoe Christus Zich bekendmaakt.
Hij openbaart Zich altijd overeenkomstig de omstandigheden van Zijn volk. Hij kwam bij Abraham als een reiziger.
Bij Mozes in de woestijn bij de brandende braambos.
Hier, bij Jericho, kort voor de strijd, als een Held, als de Leeuw uit de stam van Juda.
Dan is Hij zo’n gepaste Zaligmaker voor een verlo-ren zondaar. Dan blijkt het, dat Hij weet wat een strijdend volk op aarde nodig heeft.
Wat een troost ligt er dan in een alwetende Zaligmaker!
Als deze Zaligmaker komt, heeft hij genoeg. Jozua hoort dat de Overste van het Engelenleger voor hem staat.
Dat betekent dat er straks twee legers zijn: de soldaten van Israël én een engelenleger.
Ziende op deze Veldheer zal de overwinning zeker zijn. Deze Zaligmaker komt ook altijd op tijd. Hij zegt: “Ik ben nu gekomen.”
Hij komt nooit te vroeg, anders zou er geen plaats voor Hem zijn. Hij komt nooit te laat, anders zouden de strijders omkomen.
Houdt dan maar moed, strijdend volk, Gods tijd is de beste tijd!
Jozua wordt onder dit alles zo klein. “Toen viel Jozua op Zijn aangezicht ter aarde en bad aan en zeide tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht?”
Genade verootmoedigt en vernedert.
Als de tegenwoordigheid Gods ervaren wordt in Christus komt er aanbidding.
Dan ben je sprakeloos verwonderd dat God aan zo’n ellendige zondaar denkt. Heeft u zo de Zaligmaker al eens ontmoet?
Jozua moet de schoenen uittrekken. De tegenwoordigheid des Heeren maakt heilige grond.
De onreinheid moet wijken. De Heere gebiedt Jozua zich te heiligen, te verootmoedigen, te vernederen.
De Heere doet een mens naar binnen kijken, opdat de tegenwoordigheid van Christus een nog groter wonder voor hem zou zijn.
Met het uittrekken van de schoenen heeft de Heere echter meer te zeggen.
Hij had dit ook aan Mozes geboden bij de brandende braambos. Toen stond Mozes voor zijn grote levenstaak.
Nu staat Jozua voor zijn grote levenstaak, de verovering van het land Kanaän.
Ook hij moet zijn schoenen uittrekken. Daarmee bevestigt de Heere Zijn Woord: “Gelijk Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn.”
En dan weet Jozua dat de Heere Mozes heeft geholpen in de woestijn van het leven.
Dan zegt de Heere: “Zo zal Ik ook zorgen voor u. Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten.”
Waar zijn dan uw muren? Ze zijn overwonnen door de Vorst Die met zoveel macht is bedeeld! (Psalm 2).

Ds. C. Neele (emeritus-predikant)