Die Man

En die Man zal zijn ( ) als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.

Jesaja 32  vers  2b

Geliefde lezers, Jesaja heeft als de evangelist van het Oude Testament op een bijzondere en heerlijke wijze mogen spreken over Christus als de Middelaar Gods en der mensen.
Hij mocht ook aanwijzen wat Gods Kerk in een weg van recht en met de op-luistering van al Gods deugden, van Hem ontvangen mag en wat de Kerk in de oefeningen van het zaligmakend geloof voor eigen hart en leven daarvan mag proeven en smaken.
Ook onze tekst is daarvan een voorbeeld.
Jesaja mag Christus uitstallen als díe Man.
Als díe Man vanwege het feit dat Christus de ware menselijke (mannelijke) natuur heeft aangenomen om zo voor Zijn volk waar te maken: ‘Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.
Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen’ (Hebreeën 2:16-17).
Hij wordt ook die Man genoemd, om daarmee uit te drukken de heerlijkheid en majesteit van Hem Die als de Meerdere verhoogde Jozef schuren heeft, met daarin een voorraad die de eeuwigheid verduren zal.
In die voorraad zal de ganse uitverkoren Kerk mogen delen.
Onze tekst zegt immers als een belofte van het genade-verbond: ‘Die Man zal zijn.’ Zál zijn, dat staat op recht en waarheid pal.
Hij is het die verlossing zond aan al Zijn volk en Hij zál dat verbond met hen in eeuwigheid bewaren.
Die Man is nu voor Gods Kerk als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land.
Waarom wordt Gods Kerk vergeleken bij een dorstig land?
Het is de legering van een ziel die zich gevoelt als een akker waarop dagelijks de zon staat te branden en die geen water ontvangt.
De dichter van Psalm 63 sprak ervan: Een land, dat dor en mat van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen.
Het is het beeld van een door God bearbeide ziel die na alle ontvangen genade over de aarde gaat onder de fel schijnende zon van Gods eisend recht dat betaling eist.
Het is de gesteldheid van een ziel die door de Heere gebracht wordt op een plaats waar hij de brandende, rechtvaardige toorn Gods over zijn zonden zo dubbel waardig wordt.
Een dorstig land, dat is een ziel die gaat beleven dat aangrijpende woord uit Galaten 3:10: ‘Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.’
Daaronder leert de ziel buigen in dat dodelijkst tijdsgewricht, wanneer God als Rechter in de vierschaar der consciëntie gaat afhandelen.
Als een dorstig land gaat zo één belijden: Zijt Gij met mijn doem gediend?
Zoek Uw eer, ik heb het verdiend. Eeuwig wonder als dan die Man vanachter Gods recht tevoorschijn komt.
Sions Borg en Middelaar zal dan zijn als de schaduw van zware rotssteen.
Als Hij tussentreedt met Zijn volbrach-te Middelaarsarbeid en op grond daarvan de vrijspraak eist van die doodschuldige zondaar.
Is dat geen zalige verkwikking als zo’n ziel op grond van Christus’ arbeid horen mag uit mond van de Rechter: Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg.
Om dan bekleed te worden met de mantel der gerechtigheid en in Christus in Wie de hitte van Gods gramschap is geblust, te mogen ontvangen: De schuld Uws volks hebt Gij uit Uw boek gedaan, ook ziet Gij geen van hunne zonden aan.
Dan juicht de ziel in de omhelzing van de ontvangen en toegepaste gerechtigheid: Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.
Zalige verkwikking, om zo bedekt te mogen worden door de schaduw van de zware Rotssteen Jezus Christus!
Let op, hoe het er staat.
Die Man is als de schaduw van een zware rotssteen.
Niet de schaduw van een boom. Door de bladeren ervan dringen altijd nog zonnestralen heen.
Maar een zware rotssteen laat geen enkele zonnestraal door.
Is dat geen kostelijk beeld?
In Christus rechtvaardig te zijn voor God, dan kan geen enkele straal van Gods toorn meer op zo’n ziel neerdalen.
In Christus is een ziel immers volkomen rechtvaardig voor God.
Onze Heidelbergse Catechismus verwoordt het zo in Zondag 23: ‘Nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft.’
Als de ziel dat ontvangen mag blijft er maar één ding over en dat is roemen in die Man; in die Man alléén.
Want Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen. Hij die beminnelijke Vorst, Wiens schoonheid hoog te loven is en al het schoon der mensen oneindig ver te boven gaat!
Geliefde lezer, schenke de Heere u en mij uit vrije genade te mogen instemmen met de inhoud van onze tekst: Die Man is niet alleen voor anderen, maar ook voor míj als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land.
David mocht dit weten en hij zong ervan (u en ik ook?)

Psalm 32:1 ber.:
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor ‘t heilig oog des HEEREN is bedekt.