Een adventsboodschap

En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

Micha 5:1

Geliefden, veel is in het Oude Testament gesproken over de komst van Christus.
Onze tekst bepaalt ons erbij in welke plaats Hij geboren zal worden.
Een plaats die wij niet hadden uitgekozen: een heel klein gehucht in het stamgebied van Juda.
De tekst zegt dat er van zulke kleine gehuchten wel duizenden waren in Juda.
Toch had de Heere dit kleine gehucht op aarde verkoren om het groot te doen zijn, omdat Hij daar de Middelaar geboren liet worden.
Waar wordt Christus nu nog “geboren”, geopenbaard in het hart?
Niet in een hart dat hoog, groot en bekeerd is in eigen oog. Maar zoals het gaat in de heilsgeschiedenis, gaat het ook zielsbevindelijk.
De Heere gaat het hoge en grote, en de in eigen ogen bekeerde mens voorbij.
Maar Hij slaat toch schoon oneindig hoog, op hen het oog, die nederig knielen.
In het hart van een godsdienstig mens is voor Hem geen plaats. Maar wel in een vuile, verloren zondaar die zijn hart als een beestenstal voor God leerde kennen.
Jesaja zegt dat de Heere niet alleen woont in de hoogte en in het heilige, maar dat Hij ook wil wonen bij zulken die verbrijzeld en nederig van geest zijn.
Daarom is het in de adventstijd de vraag of uw hoogmoedige adamshart reeds gebogen en vernederd is geworden.
Of u als een verbrijzelde en onwaardige leerde bedelen om een blijk van Zijn gunst.
O, van nature verzet een mens zich hierte-gen. Zelfs na aanvankelijke genade zoekt een mens het in de vermeende rijkdom van zijn eigengerechtigheid.
Wonder van genade als de Heere alles afbreekt en in de armoede van mijn leven waarmaakt: “Hij heeft, na lang geduld, met goederen vervuld, der hongerigen monden”.
Christus zal geboren worden in dat kleine plaatsje in Juda.
Waarom zal Hij daar geboren worden? De tekst zegt: ‘Uit u zal (voor) Mij voortkomen.’
We moeten dat eigenlijk zo lezen: in Bethlehem zal Christus geboren worden (voortkomen) voor Mij, dat is God de Vader.
Dus allereerst wordt Christus geboren voor God de Vader, de Rechter des hemels en der aarde.
Deze adventsbelofte wijst erop dat Christus in de eerste plaats komt om de geschonden deugden van de Rechter te gaan herstellen.
Hij komt om de wet te vervullen, de straf op de zonden te dragen en weg te dragen.
Hij komt om Gods eer weer te verheerlijken. En op grond van dat bevredigde recht des Vaders, zal Hij ook kunnen gaan wonen in het hart van een doodschuldige eerrover Gods.
Op grond van Christus’ arbeid zal de Rechter weer in gunst neerzien op een verbrijzelde ziel.
Zodat die doodschuldige zondaar weer leven mag ontvangen en die eerrover weer gesteld mag worden tot Gods lof op aarde.
Christus komt dus van God; want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.
Deze gegeven Zoon kwam vervolgens in de eerste plaats voor God. Maar ook om met behoud van Gods deugden de Kerk zalig te maken.
Zij die daarvan iets mogen smaken, mogen weer terugkeren tot God. Zij mogen om Jezus’ wil Gods gunst en ge-meenschap ondervinden.
Maar zij leren ook terug te keren tot God, zoals we lezen van die ene Samaritaanse man die genezen was: ‘En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende.’
Zij stemmen in – u ook al? – ‘Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.’
Tenslotte zegt Micha nog twee heerlijke dingen van de komende Christus in deze tekst.
Hij mag van Hem spreken als de Heerser in Israël.
Hij is het Die op grond van Zijn arbeid ontvangen zal: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”.
Hij zal voor Zijn Kerk waarmaken tot de laatste dag toe: “En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der we-reld”.
We gaan nu niet verder in op Zijn Koningschap zoals dat hier beloofd wordt.
Meerdere plaatsen in de Schrift spreken ervan. We kunnen er wel van leren dat de Heere meerdere malen dezelfde dingen beloofde aan Zijn kinderen in het Oude Testament.
Maar zo handelt de Heere nog met Zijn Kerk.
Hij wil hetgeen Hij hen beloofde weleens bevestigen, door dezelfde dingen hen nogmaals toe te zeggen.
Dan leert een ziel in de weg van afbraak er niet iets bij, maar dan bevestigt de Heere een zaak die Hij eerder beloofde.
Dan mogen ze opnieuw de kracht en de sterkte daarvan ondervinden en geeft het temeer een uitzien dat de Heere al wat Hij ooit beloofd heeft ook zeker op Zijn tijd zal vervullen.
Het slot van de tekst wijst erop dat Hij komt uit de eeuwigheid.
Hij is Vaders eeuwige Zoon, Die de menselijke natuur aanneemt uit de maagd Maria.
Alzo is Hij waarlijk de enige Middelaar tussen een vertoornd God en een doemwaardige zondaar.
Gelukzalig de ziel die in het verlies van al zijn ‘middelaars’, die enige Middelaar Gods ontsloten mag krijgen voor het zielsoog.
Hebben uw ogen deze Koning ook weleens mogen zien in Zijn schoonheid? Dan is het Christusfeest geworden.

Uw en jouw ds. A. Verschuure