Een bede- en Boetedag

“O land, land, land, hoor des Heeren woord.”

Jeremia 22 vers 29

(1) Des Heeren Woord tot Zijn zondig en bedorven land is een woord van overtuiging.
De Heere stelt de zondaars hun menigvuldige zonden, ongerechtigheden en goddeloosheden daarin klaar voor ogen.
Hij noemt hen daarin al hun fouten en afwijkingen van Zijn heilige wet.
Hij handelt daarin zeer getrouw met hen. Hij stelt hun alles ordentelijk voor ogen, en zegt tot de zondaar: ‘dit alles heb Ik tegen u, dit alles heb Ik in u, gij hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.’ Jesaja 43:24; “en daarom alleen, ‘ken uw ongerechtigheid.’ Jer. 3:13.

(2) Des Heeren Woord is een woord van bestraffing.
God bestraft de zondaars scherp over hun zonden, gelijk als een heer zijn knecht, en een vader zijn kind bestraft, als deze zwaar misdoen; Hij zendt Zijn bestraffingen doorgaans eerst in menigte vooruit, eer Hij Zijn wraakoordelen zendt; gelijk er staat Spr. 29:1, “een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan is”.

(3) Des Heeren Woord is een Woord van klacht.
De Heere klaagt over de zondaars, dat Hij ‘t zo goed met hen voorhad, en hun zoveel goed bewezen heeft, maar dat zij dat alles niet geacht hebben, en Hem niet hebben willen vrezen en beminnen.
Hij roept uit: “Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden”, Jes. 1:2; en “Ik heb Mijn handen uitgebreid de ganse dag tot een wederstrevig volk”, Jes. 65:2.

(4) Des Heeren Woord tot Zijn zondig land en volk is een Woord van verwijt.
De Heere verwijt hen, wat een goed Hij hen al gedaan heeft, wat een grote zegeningen en menigvuldige weldaden Hij hun al geschonken heeft, maar hoe snood ondankbaar zij zich tegen Hem gedragen hebben.
Hij roept uit voor hun oren, Jer. 2:31, “O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord!
Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid?
Waarom zegt [dan] Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?”

(5) Des Heeren Woord, dat Hij spreekt tot Zijn zondig land, is een woord van verbolgenheid en grimmigheid.
De Heere spreekt tot de zondaars met een heilige ontsteking en verheffing van toorn.
Hij verfoeit hun zondige wegen, Hij haat ze, Hij vergramt er Zich over, Hij spreekt tot hen harde en toornige woorden, opdat Hij hen mocht verschrikken en bevreesd maken, gelijk er staat, Psalm 2:5.

(6) Des Heeren Woord tot Zijn goddeloos en zondig land, is een Woord van bedreiging.
De Heere kondigt de onboetvaardige zondaars Zijn vreselijke oordelen, plagen en bezoekingen aan, en ‘t verderf, dat Hij zeker over hen zal brengen, indien zij niet spoedig hun zondige wegen verlaten, en zich met hun gehele hart tot Hem bekeren.
Hij roept en zegt tot hen, Ezech. 7:3, “want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen,” O, wat komt dat Woord des Heeren niet menigvuldig voor bij de profeten, en overal de gehele Bijbel door!

(7) ‘t Woord des Heeren tot Zijn zondig land en volk is een woord van lering en onderwijs.
De Heere leert en onderwijst ze daar van Zijn wet, van Zijn wegen en werken, zowel verleden als tegenwoordige en toekomende.
Hij onderwijst ze van Zijn ontzaglijke hoogheid, heiligheid en heerlijkheid, opdat zij Hem toch mochten kennen en vrezen.
Hij onderwijst ze van de weg van de zaligheid, van Zijn rechten en inzettingen, en van alles, wat zij moeten weten tot hun behoudenis; gelijk er zo gezegd wordt, Psalm 25:8, “De HEERE is goed en recht, daarom zal Hij de Zondaars onderwijzen in de weg.”

(8) Des Heeren Woord tot Zijn land is een woord oproepende tot berouw en oprechte boetvaardigheid van het hart.
O, de Heere wil dat Zijn volk hun zonden en snode ongerechtigheden voor Hem met diepe schaamte en ootmoed zal belijden, en er ware boete over doen.
En er een hartelijk leedwezen over dragen!
Hij roept tot Zijn volk, Joël 2:13, “En scheurt uw hart, en niet uw klederen”, en Jesaja 22:12, “En te dien dage zal de Heere, de HEERE der heirscharen, roepen tot geween, en tot rouwklage”, enz.

(9) Des Heeren Woord tot Zijn zondig land en volk, is een woord van geloof, en van toevluchtneming tot Zijn genadetroon in Christus.
Hiertoe vermaant de Heere Zijn zondig volk, dat zij met al hun zonden en ellenden tot Hem zullen komen met een oprecht geloof; dat zij voor de voeten van Zijn Goddelijke genade en barmhartigheid in Christus zullen neervallen, en Zijn sterkte aangrijpen, en vrede met Hem maken, Jesaja 27:5.
Hij roept Zijn land en volk. toe: “wendt u naar Mij toe, wordt behouden!”, Jesaja 45:22.

(10) ‘t Woord des Heeren tot Zijn zondig land en volk is een woord van bekering.
De zaak, die de Heere van hen vordert, en daartoe Hij ze zonder ophouden vermaant, is waarachtige boete en berouw, en dat zij zich toch van hun zondige en Goddelijke wegen tot Hem bekeren zouden, en doen dat goed is in Zijn ogen.
O, hier is ‘t de Heere God alleen om te doen, om de zondaars te behouden in een weg van oprechte bekering.
Daarom roept Hij overal in Zijn Woord, “bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, verlaat de slechtigheden.” Zonder zodanige oprechte boete en bekering moet God de zondaars zeker verderven.
Hij kan ze niet helpen of genadig zijn, tenzij zij zich in der waarheid tot Hem bekeren, hun zonden met ootmoed en verslagenheid voor Hem belijden, en Hem ernstig en oprecht gelovig om Zijn genade smeken.

(11) Des Heeren Woord tot Zijn zondig land en volk, is ook een woord van belofte en van genade.
Hij belooft de boetvaardige zondaars, die zich in oprechtheid tot Hem willen bekeren, de genadige vergeving van al hun zonden, en dat Hij hun al het goede wil schenken naar ziel en lichaam, tijdelijk en eeuwig.
Hij zegt tot hen, Jesaja 55:7, “De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en Hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen; en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
”En in Job 22 vs. 23, “Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden;

(12) Ja, des Heeren Woord tot Zijn zondig land en volk is een woord van moedgevende opbeuring en vertroosting voor elke en een iedere zondaar, die onder zijn zonden waarlijk bedroefd, verlegen en verslagen is.
De Heere laat al dezulken betuigen, dat Hij een God van ontferming en van grondeloze goedertierenheid en barmhartigheid is, dat Hij aan de dood van de goddeloze geen lust heeft; dat Hij alle oprecht boetvaardige, berouw hebbende en verslagen zondaars zeker wil genadig zijn, en hen in ‘t leven behouden, hoe groot en menigvuldig hun zonden ook al mogen wezen.
Hij zegt tot hen, Jesaja 1:16, 18, “Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg”, etc. “Komt dan, en laat ons tezamen rechten: zegt de HEERE.
Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw”.

(13) Eindelijk, des Heeren Woord tot Zijn zondig volk en land, is een woord van ernstige vermaning, raadgeving, onderrichting, besturing.
De Heere openbaart daarin alles voor een arme zondaar, wat hij nodig heeft te weten en te verstaan in alle gevallen en gelegenheden, in alle toestanden, noden en zwarigheden.
Hij kan in alle opzichten uit dit woord raad en troost, hulp en bestuur verkrijgen, indien hij anders maar rechte achting en liefde voor dat Woord des Heeren heeft, en er een goed gebruik van weet te maken; zo is ‘t hem altijd en overal een lamp voor zijn voet, en een licht voor zijn pad, Psalm 119:105. ‘t Is zijn getrouwe leidsman en raadsman, in elke weg, daar hij op gaat, gelijk David getuigt in diezelfde psalm vs. 24, “Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.”

Uit een biddagpreek van ds. Th. Van der Groe (1705-1784)