Een bedelaar die Gods huis niet in mag

“En een zekere man (..) welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels (..) om een aalmoes te begeren.”

Handelingen 3:2

Geliefde lezers, het gaat over een man die buiten de tempel moet zitten, we zouden nu zeggen die niet in de kerk mag komen.
Dat lezen we immers in de tekst. Hij mag wel zitten aan de deur van de tempel.
Maar hij mag de tempel niet in gaan. Aan de geschiedenis van deze kreupele man die zat aan de Schone poort, zo vlak na de uitstorting van de Heilige Geest, zat ik te denken.
Zo is het immers nu ook bij ons. Zo vlak na Pinksteren, mogen we niet of nauwelijks naar Gods huis.
We zitten dan wel niet aan de deur van de kerk, maar we zitten thuis mee te luisteren.
We lijken echt op die man. Ik denk dat hij daar ook verdriet over had.
Immers als hij straks genezen is, gaat hij met vreugde de tempel, Gods huis, binnen.
Lijken wij ook zo op die man? Is het ons ook een diep verdriet dat we niet naar de kerk kunnen.
Brengt ons dat wel eens in de binnenkamer om te smeken of de Heere uitkomst zou willen geven, zodat de deuren van Gods huis weer open mogen voor de hele gemeente.
Of zijn we er al een beetje aan gewend geraakt dat we thuis zitten.
We hoeven minder vroeg uit bed, hoeven niet met de fiets, de auto of lopend naar de kerk.
Thuis kunnen we alles prima volgen. Ik hoop dat we samen hier toch maar niet aan wennen en dat er breed in de gemeente mag leven: “hoe branden mijn genegenheên om des Heeren voorhof in de treên.”
Hoe komt het toch dat die man de tempel niet in mag?
Hij is kreupel van zijn geboorte af. De oorzaak is de zonde en de gevolgen van de zonde.
Die maken het voor die man niet mogelijk naar Gods huis te gaan.
Zo is het ook bij ons.
God bezoekt met Zijn oordelen en gerichten onze zonden. Niet alleen van land en volk.
Maar zouden het ook niet bijzonder onze kerkelijke, huiselijke en persoonlijke zonden zijn, waarom de Heere het Covid-19-virus op de aarde laat rondwaren, waardoor de kerkgang nauwelijks mogelijk is.
Onze zonden van wereldgelijkvormigheid in onze dagelijkse levenswandel.
Dat we zo aardsgericht zijn en niet zoeken de dingen die van boven, van de Heere zijn.
Zou het niet Gods slaande Hand zijn vanwege zoveel verdeeldheid in onze gemeenten, ja ook onder Gods kinderen helaas.
Zou dat alles niet een oorzaak zijn dat we buiten de kerk zitten.
Moet de Heere ook niet van ons klagen: “zij naderen wel tot mij met de lippen, maar hun hart is zo verre van mij.”
Kom zijn we daaronder reeds beschaamd en schaamrood voor het aangezicht des Heeren, zoals Daniël mocht doorleven: “Wij hebben gezondigd en hebben onrecht gedaan en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten (..)
bij U o, Heere is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten (Daniël 9:5 en 7a).“
Zullen we nog één stap verder gaan.
Deze man mocht niet in de tempel omdat hij kreupel was van zijn geboorte af.
Zo is het toch ook bij ons. Kreupel, schuldig, in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren.
Daarom een voorwerp van Gods toorn. We leven van nature buiten God en buiten Zijn gemeenschap.
Wij kunnen de tempel, wij kunnen het rijk Gods niet meer in.
Tenzij God een wonder doet. Zoals die man na zijn wonderlijke genezing de tempel weer in mocht, zo is er een volk dat door wederbarende genade en de inplanting in Christus, eenmaal weer binnen zal mogen treden in die hemelse Tempel om daar God eeuwig te mogen loven en prijzen.
Kent u dat wonder? Om als een buitenstaander door de Heere te zijn opgezocht en als een rechteloze zondaar, buigend onder Gods rechtvaardige straf, te mogen horen van die Naam van Jezus Christus, tot zaligheid van uw ziel, zoals we dat ook lezen van deze man in het 6e vers van dit hoofdstuk.
Eén ding valt ons nog op.
Deze zekere man zit buiten de tempel en hij bedelt. Hij bedelt voor zijn levensonderhoud.
Mag ik eens vragen bent u ook zo’n bedelaar buiten de tempel.
Bedelend niet om levensonderhoud, maar om het behoud van uw en jouw ziel.
Bedelaars als de blinde Bartimeüs; “Jezus, Zone Davids, ontferm U mijner”, als de moordenaar aan het kruis: “gedenk mijner”.
Als dat waarlijk onze nood is, dan zal er ook een bedelen geboren worden in de nood van deze tijd of de Heere in de toorn nog des ontfermens wil gedenken en de deuren van Zijn huis weer zou willen openen.
Dan begrijpen we met de ziel dat David uitroept dat zijn ziel van sterk verlangen bezwijkt naar de voorhoven des Heeren.
Bent u, ben jij zo’n bedelaar? Luther mocht het zeggen aan het einde van zijn leven: “wij zijn bedelaars en dat is waar”.
Zulke ware bedelaars zullen eenmaal thuiskomen. Want Christus is voor Zijn kerk een plaats aan het bereiden.
Hij ging met Hemelvaart de Tempel in en Hij sprak dat Hij al de Zijnen eenmaal tot zich nemen zal in eeuwige heerlijkheid.
Kom volk des Heeren, hier staan we met alle genade altijd er weer zo buiten.
Hier zijn we gast en vreemdeling toch? Ja, wat verzondigen we het toch vaak weer.
Dan zetten we ons zelf er weer buiten. Dan wordt toch weer dat bedelen geboren: “zie op mij in gunst van boven neder.”
Dan is opnieuw dat wonder nodig dat God in Christus ons weer opzoekt en spreekt van genade en verzoening.
Bedelaars hebben niets verdiend. Wat ze krijgen is altijd een wonder. Zo is het nog.
Ware bedelaars zal de Heere vervullen. Maar dat is alleen uit genade, om Christus wil.
Hij is meer dan goud en zilver (vers 6). Hij is het Leven tot in eeuwigheid.
Geliefde gemeente, mogen onder ons, na Pinksteren, te midden van de smart dat we niet kunnen opgaan naar Gods huis, veel van zulke bedelaars gevonden worden.
Voor hen zal gelden en dat kan ook in het meeluisteren thuis wat Maria zong in haar lofzang (vers 6):

Hij heeft na lang geduld,
Met goederen vervuld,
Der hongerige monden.

Eenmaal breekt de tijd aan, we hopen spoedig letterlijk, om weer op te gaan naar Gods huis, maar bijzonder voor Gods kinderen bij het sterven om dan eeuwig Gods Huis te mogen ingaan om dan te doen waar de dichter van zingt in Psalm 116:11 berijmd.

Ik zal met vreugde in het huis des Heeren gaan
Om daar met lof Zijn grote Naam te danken

Uw en jouw ds. A. Verschuure