Een boodschappende Rhodé en het antwoord der gemeente

“En zij zeiden tot haar: Gij raast”

Handelingen 12:15a

Het is opmerkelijk dat de jonge dienstmaagd Rhodé, in bange dagen van beproeving, met velen bijéén vergaderd en biddende was in de ouderlijke woning van Johannes Markus te Jeruzalem.
Terwijl Herodes de handen aan sommigen van de gemeente sloeg om die kwalijk te handelen, werd de apostel Jakobus onthoofd om het getuige-nis van Jezus en om het Woord Gods.
Des te aangrijpender was het bericht dat nu ook Petrus gegrepen was en in de gevangenis werd bewaard.
Zou nu ook deze pilaar wor-den weggerukt?
Terwijl de geketende apostel slaapt, mocht de gemeente zijn als een lelie onder de doornen.
Ze werd immers verwaardigd de Heere aan te lopen als een waterstroom.
Door de geschonken genade der volharding werd een gedurig en vurig gebed tot God voor Petrus gedaan, vele dagen lang.
Wil hem sterken door Uw gena-de, laat hem in de muil van die wrede leeuw niet verslonden worden, verlos hem door Uw kracht tot onze vertroosting.
We lezen in Psalm 12: “Om de verwoesting der ellen-digen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de Heere, Ik zal in behoudenis zetten, dien Hij aanblaast”.
De Hoorder der gebeden heeft Petrus door een reeks van wonderen verlost.
De ene onmogelijkheid na de andere moest wijken!
Zal nietig stof Mij ”t hoog gezag ontwrin-gen?
Ketenen, wachters noch deuren kunnen belemmeren als de Heere een weg baant, waar geen weg is. ”Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn”.
Hebben de smekelin-gen, bijéén in de ruime woning van Markus’ moeder, deze uitkomst verwacht?
Wanneer de klopper op de deur valt en Rhodé vraagt wie daar is, bekent ze dat het Petrus is die spreekt.
De ijzeren poort van de gevangenis werd Petrus en de engel vanzelf geopend, maar deze deur blijft voorlopig voor de apostel gesloten – van blijdschap vergeet Rhodé open te doen.
Met gevleugelde voeten keert ze terug en roept luide dat Petrus voor aan de voorpoort staat.
“En zij zeiden tot haar: Gij raast”. Het is onmogelijk, je bent als één die buiten zijn zinnen is en je weet niet wat je zegt!
Maar is Rhodé voor hen dan geen boodschapster die verkondigt dat hun noodgeschrei verhoord is?
Is haar woord niet als een goede tijding uit een ver land?
Zeker, ze zeggen niet: Dat hadden wij wel verwacht want wij hebben er immers om gebeden.
Maar ook niet: De Heere heeft wat groots verricht en door wonderen hem bevrijd.
Het scheen hen eerder iets onmoge-lijks te zijn dat Rhodé de waarheid sprak!
Zo weinig was in hun hart dat Sions Koning hen verlossing zenden zou!
Zonder twijfel waren hun gebeden steeds korter geworden.
Het scheen dat God vergeten was genadig te zijn en niet liet komen wat zij begeerden.
Wachter, wat is er van de nacht? De morgen is gekomen en het is nog nacht!
Wanneer zij ondertussen hun schamele verzuchtingen bleven opzenden, waren zij meer geloof deelachtig dan zij konden bezien.
God doet een afgesneden zaak op de aarde en werkt op een wonder aan.
Zo zorgt Hij voor Zijn eigen eer.
Dikwijls zal het daarop uitlopen bij Gods kinderen, dat zij het moeilijkst kunnen geloven, wat zij het vurigst wensen, omdat zij vrezen zich te bedriegen.
Het is een groot voorrecht dat we niet alleen in Gods Woord lezen hoe het moet zijn, maar ook hoe het gaat in het leven van Gods strijdende Kerk.
Het was een harde zaak voor de discipelen van hun Meester te moeten scheiden, toen zij werden gedwongen naar de overzijde van de zee te varen.
Wanneer Jezus in de storm tot hen komt in Goddelijke majesteit, wandelende op de golven, wat dan?
Als Hij het dichtst bij hen is, schreeuwen zij het uit van vrees en denken een spooksel te zien.
Wanneer de vrouwen boodschappen dat de Heere is opgestaan, wijzen de discipelen het af als zot geklap.
En wanneer de Herder Zich tot de kleinen wendt. Zich als de Le-vende openbaart temidden van hun dood, is dit het eerste: zij meenden een geest te zien.
“En zij zeiden tot haar: Gij raast!”
Wanneer Petrus even later voor hen staat, dan ontzetten zij zich.
Laten wij maar niet denken dat Gods kinderen in deze tijd er met minder schande vanaf komen!
O wonder, heilig gedwongen te geloven!
Voorwaar, geen vlees zal roemen voor God. De dingen Gods zullen de zaligheid van de ziel uit gaan maken.
Goddelijk welbehagen en vrije genade zullen worden gekroond door een in zichzelf onvruchtbaar overblijfsel.
Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig.
Ook in deze tegenwoordige tijd is er nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat beschaamd en vertroost wordt door dit antwoord dat aan Rhodé gegeven werd.

Ds. C. Hogchem (Aalburg)